Zondag voor de Oosterse Kerken
Eerste lezing: Handelingen 14,21-27
Tweede lezing: Apokalyps 21,1-5a
Evangelie: Johannes 13,31-33a.34-35
Inleiding
'Cantate Domino canticum novum', 'Zingt voor de Heer een nieuw gezang', zongen wij in de intredezang uit psalm 97. Een nieuw gezang? Nee, niet echt, het is eigenlijk al oud. Er staan zelfs Gregoriaanse noten bij, en dat wil zeggen dat die noten en ook dat gezang al heel oud zijn. Nieuw is dan ook niet zozeer het gezang, maar de bezieling, de geest, de heilige Geest, waarmee adem wordt gegeven aan dat gezang, zodat het een nieuw gezang wordt en wij nieuw worden, een nieuwe schepping, zegt sint Paulus. Dat brengen wij ons aan het begin van de zondagse eucharistieviering in herinnering door de viering van ons doopsel. In deze plechtigheid doen we het nog een keertje over, in ons bewustzijn tenminste, dat wij toen in de nieuwheid van Gods nieuwe schepping zijn opgenomen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot de leerlingen:
Nu is de Mensenzoon verheerlijkt
en God is verheerlijkt in Hem.
Als God in Hem verheerlijkt is
zal God ook Hem in Zichzelf verheerlijken,
ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken.
Kindertjes, nog maar kort zal Ik bij u zijn.
Een nieuw gebod geef Ik u:
gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad,
zo moet ook gij elkaar liefhebben.
Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt:
als gij de liefde onder elkaar bewaart.
Homilie
Een nieuwe hemel, een nieuwe aarde, ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel neerdalen. Johannes hoort de Almachtige spreken: Zie Ik maak alles nieuw." Dat is wat God kan en wat de mensen niet kunnen. Nieuw, is er dan iets nieuws onder de zon, vraagt de Prediker (1,9)? Nieuws? Ik heb nog nooit iets nieuws gehoord, nog nooit iets nieuws gezien. "Hoe kan een mens geboren worden als hij al oud is?", vraagt Nicodemus (Joh 3,4). Het is allemaal het oude liedje. We spreken zelfs van 'oud nieuws'. In zekere zin is het nieuwe dat de wereld voortbrengt, allemaal oud nieuws. Op de dag dat de man de nieuwe auto voor de deur heeft staan, zit hij al op de bank te bladeren in de catalogus voor de nieuwe. Het oude in een nieuw jasje, daar zijn we goed in. In het bedenken van een nieuw uiterlijk, een nieuw kleurtje. Dan lijkt het weer wat, een nieuwe formule, een nieuw dit, een nieuw dat. In het geestelijk leven nieuwe gebeden, een nieuwe methode in de omgang met de mensen, een andere benadering, zodat men wat minder last heeft van de lastige eigenschappen van de ander en van de eigen ongeordende reacties daarop. Bij gebrek aan innerlijke vernieuwing gaat men steeds meer werk maken van de uiterlijke vernieuwing.
Dat is nu echt iets van onze wereld. Iets is goed, nieuw, maar met dat nieuwe, met dat goede gaan we zo aan de haal, verabsoluteren het zo, dat het dol draait, dat het zichzelf vernietigt. Zo is het met de idealen van de gelijkheid, dat men daarin zo ver gaat dat men moet zeggen dat sommigen meer gelijk zijn dan anderen. En met de idealen van het zuivere ras van bloed en bodem, met de vrije markt, met het privé-eigendom, met de vrijheid, wat men in onze maatschappij zo sterk beleeft, dat we de slaven worden van de vrijheidsdrang van de ander. Een nieuwe vorm van slavernij.
En wat is de nieuwe vrijheid van God? "Een nieuw gebod geef Ik u: Gij moet elkaar lief hebben zoals Ik u heb lief gehad. Zo moet ook gij elkaar lief hebben." Dat is de nieuwe liefde. De oude liefde is: voor wat hoort wat, beminnen die u beminnen, je broeders groeten, die dan terug groeten, vrienden en buren uitnodigen voor een maaltijd, zodat zij het je kunnen teruggeven, dankbaarheid oogsten, je weldoeners laten noemen, weldoen, maar dan ook weldoener genoemd willen worden.
En de liefde van Jezus? Je vijanden beminnen, zegenen die u vervolgen, een tweede mijl met iemand meegaan als hij je dwingt een mijl met hem te gaan, lenen zonder terug te krijgen, geven zonder te ontvangen. De liefde van Jezus is: goed geven voor kwaad. We moeten dus een liefde geven zoals Hij. "Zoals Ik u heb lief gehad." Jezus gaf zijn leven voor ons, dan moeten wij ook ons leven geven voor onze broeders, zegt sint Jan (1 Joh 3,16). Dat is de liefde waarvan Jezus getuigt in het evangelie: "Nu is de Mensenzoon verheerlijkt" (Joh 13,31). Nu? Op het ogenblik dat Jezus dat zei, was de verrader Judas net weggegaan, en Johannes voegt er aan toe: "het was nacht". De nacht van het verraad, de duisternis van het kwaad. De machten van het kwaad zouden in die nacht tot het uiterste gaan, Jezus overleveren in de handen van zijn doodsvijanden. En hoe zou Jezus daarop reageren? Zeker, altijd had Hij het kwaad beantwoord met goed, altijd was zijn liefde voor de vijand groter dan zijn kwaadheid. Maar nu? Als zijn vijanden tot het uiterste gaan? Zal Hij dan doen wat onze helden plegen te doen? Ze schrijden van overwinning naar overwinning, maar op een gegeven ogenblik worden ze toch door hun vijanden zo in het nauw gedreven dat al hun wapens vergeefs zijn, ontoereikend, zo in het nauw gedreven dat de tegenstander alleen nog maar de genadeslag kan geven. Maar dan komt hij met zijn geheime wapen en hij vernietigt zijn vijand met dat geheime wapen. Zou Jezus dat ook gaan doen? Kom dan af van dat kruis als Gij de Redder zijt, de Verlosser! (vgl. Mt 27,40; Mc 15,46)
Jezus komt wel met zijn geheime wapen, maar zijn geheime wapen is de liefde. Een liefde tot het uiterste. Toen zijn vijanden tot het uiterste gingen, kwam Hij met zijn liefde tot het uiterste, gaf Hij een teken van zijn liefde tot het uiterste toe. Niet het geweld, niet de vergelding, niet de vernietiging, maar zijn liefde. Een nieuwe schepping. Dat maakt Pasen tot een feest van de liefde, want de dood die Jezus is gestorven, is de dood die wij Hem hebben aangedaan. Het grootste kwaad, het ergste waartoe de mensheid in staat is, heeft Hij ondergaan uit liefde. "Nu is de Mensenzoon verheerlijkt (Joh 13,31). Dat is de heerlijkheid van de liefde. De Vader zal Hem verheerlijken, zal Hem spoedig verheerlijken" (Joh 13,32). Waarom heeft de Vader niet eerder ingegrepen? Waarom heeft Hij gewacht tot Hij dood was, tot het te laat was? Nee, Hij gunde het zijn Zoon eerst een teken te geven van zijn liefde, van zijn liefde tot het uiterste, van die nieuwe liefde.
Dat mogen we telkens opnieuw vieren in de eucharistie, om die nieuwheid van leven in ons hart, en vanuit ons hart die nieuwheid, ook in de wereld binnen te brengen. Hij maakt nu al de wereld nieuw door zijn nieuwe liefde en door de leerlingen die, zoals Hij zegt, aan die liefde te herkennen zijn.