Vijfde zondag van Pasen,
             jaar A
                                Zondag voor de Oosterse Kerken


Eerste lezing: Handelingen 6,1-7 [A 89]; antwoordpsalm: Psalm 32,1-2.4-.18-19 [A 89];
Tweede lezing: 1 Petrus 2,4-9 [A 90]; vers voor het evangelie: Johannes 14,6 [A 91];
Evangelie: Johannes 14,1-12 [A 91]


Inleiding  

'Cantate Domine canticum novum!' … 'Zingt voor de Heer een nieuw gezang!' Begint de Kerk nu ook al met vernieuwing: een nieuw gezang, een nieuwe hit op de hitparade van de Kerk? De nieuwheid van deze wereld, de wereldse nieuwheid, is zo vergankelijk als de dag en zo veranderlijk als het weer. Maar de nieuwheid van het nieuwe gezang waar het intredelied van spreekt, is de nieuwheid van God. "Zie, Ik maak alles nieuw" (Apk 21,5). God is de nieuwmaker. Dat betekent: Hij heeft in zijn Hart een eindeloze voorraad van steeds weer nieuwe liefde. Zijn liefde is nooit oud, wordt nooit routineus, sleets, maar is altijd nieuw, als was het zijn eerste liefde. Zo mogen wij dan ook met deze viering iets van zijn nieuwheid ontvangen. Dat wij deze eucharistie vieren als was het de eerste keer, als was het de laatste keer, of de enige keer.  
We beginnen vandaag op deze vijfde zondag van Pasen met het 'Vidi aquam', de wijding van het water en de besprenkeling ermee, om dat oude gebeuren, zoveel jaren geleden aan ons gebeurd, weer opnieuw te beleven.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Laat uw hart niet verontrust worden.
Gij gelooft in God,
gelooft ook in Mij.
In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.
Ware dit niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd,
want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.
En als Ik ben heengegaan
en een plaats voor u heb bereid,
kom Ik terug om u op te nemen bij Mij,
opdat ook gij zult zijn waar Ik ben.
Gij weet waar Ik heenga
en ook de weg daarheen is u bekend.”
Thomas zei tot Hem:
“Heer, we weten niet waar Gij heengaat,
hoe moeten wij dan de weg kennen?”
Jezus antwoordde hem:
“Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.
Als ge Mij zoudt kennen,
zoudt gij ook mijn Vader kennen.
Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem.
Hierop zei Filippus:
“Heer, toon ons de Vader, dat is ons genoeg.”
En Jezus weer:
“Ik ben al zolang bij u en ge kent Mij nog niet, Filippus?
Wie Mij ziet, ziet de Vader.
Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader?
Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben
en de Vader in Mij is?
De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf,
maar het is de Vader, die blijvend in Mij, zijn werk verricht.
Gelooft Mij:
Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij.
Of gelooft het anders omwille van de werken.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wie in Mij gelooft,
zal ook zelf de werken doen die Ik doe.
Ja, grotere dan die zal hij doen,
omdat Ik naar de Vader ga.”

Homilie  

“Wie Mij ziet, ziet de Vader."
Twee keer zien! Het is hetzelfde woord, het is dezelfde handeling, maar hoe verschillend is dit woord van betekenis. De ene keer gaat het over 'Mij zien', Jezus zien, de zichtbare mens voor jou, en de andere keer wordt 'de Vader zien' bedoeld, de Onzichtbare zien. Dat is geloofszien! Met dichte ogen zien, wat je doet wanneer je bidt, dan sluit je ook je ogen. Nu echter wordt dat twee maal zien door Jezus aan elkaar gekoppeld. 'Denk er aan dat je Mij nooit ziet zonder de Vader erbij, zonder je ogen te sluiten en de Vader te zien in geloof. De mens die Ik ben, Ik Jezus, ben pas helemaal wie Ik ben, als je in Mij de Vader ziet. Je kent Mij nog helemaal niet, als je in Mij alleen maar de mens ziet. En je kent ook de mens niet en jezelf niet, als je in de mens alleen maar de mens ziet, als je de mens niet ziet zoals je Jezus ziet, omgeven door de zorg van de liefdevolle Vader.' Jezus zonder de Vader is niets, de mens zonder God is ook niets.

Maar we moeten onze ogen ook niet sluiten voor de andere kant. De Vader zonder de mensen is ook niets. Een God op zich, zonder mensen voor wie Hij zorgt, zonder volk waarmee Hij een verbond heeft gesloten, zonder mensen die Hij in liefde heeft voortgebracht, een God ergens ver weg, een God zonder medelijden met de noden van de mensen, betekent niets. Maar de God die zijn eer verbonden heeft aan het lot van de mensen, aan het lot van een bepaald volk, van Abraham, Isaäk, Jakob, en van het volk van de Kerk, die God kun je alleen maar kennen via dat volk waaraan Hij Zich geopenbaard heeft. In de Kerk kun je God vinden, want in de Kerk vind je Jezus en in Jezus vind je de Vader, en Hij is de Enige die het leven van de mensen de moeite waard maakt. Jezus is méér dan wat er aan Hem te zien valt.

Er was ooit een programma van de KRO: 'Er is méér tussen hemel en aarde'. Daar zou je moeten invullen: méér tussen hemel en aarde dan er te zíen is, dan waar ons verstand weet van heeft. Maar tegenwoordig weet iedereen wel dat er méér is dan wat je kunt zien, en daar speelt zo'n programma dan ook op in. De religieuze dimensies van het menselijk bestaan worden door de mensen van onze tijd doorkruist, de oude geschriften opnieuw doorvorst. Jezus echter is niet iets méér, Hij is ook niet véél meer dan iets, zelfs niet héél veel meer dan iets, maar Hij is álles meer. En dat álles meer is, dat je in Hem kunt komen tot een ontmoeting met God; ja, dat Hij zelfs de Énige is waarlangs dit kan. Je moet in de Kerk komen om God te vinden, om God te ontdekken, om deel te krijgen aan God, zoals destijds, als je tot het Joodse volk ging behoren, je al die gebruiken moest aannemen om deel te krijgen aan het verbond van God met zijn volk en van het volk met God.

Voor het nieuwe ambt van diaken moesten zeven mannen worden uitgekozen "van goede faam”; ze moesten goed bekend staan, maar ook “vol zijn van geest en wijsheid". Stefanus werd gekozen, "een man vol geloof en heilige Geest." Je zou kunnen vertalen: vol van vermogen om in Jezus méér te zien, om in Jezus álles te zien, om in Jezus God te zien. Ook in de tweede lezing, uit de eerste brief van Petrus aan de pas gedoopten, heeft Petrus het over dit wonderlijke vermogen de Vader in de Zoon en God in de mensen te zien: "Treedt toe tot de Heer, de levende steen, als levende stenen in de bouw van een geestelijke tempel." Hebt u ooit wel eens levende stenen gezien? Dat kún je ook niet zien, dat kun je alleen gelóven. En dan die geestelijke tempel!? Heeft u dat ooit wel eens gezien en dan ook nog dat u daarin zelf priester bent? "Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap.” Hoe is dat dan? Priesters moeten offers opdragen en dat doen ze ook. Ze dragen “geestelijke offers op”, en zijn bestemd “om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht."  

Jezus wordt ons nu voorgesteld als de weg naar Gods wonderbaar licht: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Hij is de enige weg naar God toe. Buiten Jezus om is er geen kennis van God. Mensen weten wel iets van God, want “wat een mens van God kan weten”, zegt Paulus in de brief aan de Romeinen, “is in feite onder hen bekend; God zelf heeft het hun geopenbaard. Van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid" (Rom 1,19.20). En bij het reizen door de wereld, bij de beschouwing van de natuur en wat de wetenschap daarvan aan het licht gebracht heeft, daarin vangen mensen een glimp op van wie God is. Of wanneer er rampen gebeuren in hun persoonlijk leven, ziekte, ongeval, teleurstellingen, tegenslagen, dan breken de grenzen open van het gesloten menselijke bestaan, gaat het dak als het ware open van de gevangenis waarin ze zitten en schouwen ze iets van God. Mensen zeggen wel eens: 'Er moet iets zijn, een hogere macht of zo'; vaag weten ze wel iets, maar vergeleken met de kennis die Jezus ons geeft, is dat andere niets. Het is meer duisternis dan licht. Daar kunnen we niets mee, dan blijven we zonder hoop, zonder datgene wat juist het geloof ons geeft, en dat is niet alleen geloof in God, maar dat ons geloof in God ook hóóp is op God. Dat je echt iets aan Hem hebt, ja, het eeuwig heil.

Door onze hoop op God leren wij ons eigen leven pas kennen en aanvaarden als een weg naar God toe. Dan wordt ons leven pas zinvol. Hij heeft Zich aan ons gegeven en wij kunnen ons aan Hem geven. Er is zoveel onaf, zoveel zinloos, zoveel absurditeit, zoveel gebrokenheid, in ons menselijk bestaan, maar door Jezus is het aangenomen, verzoend, opgenomen, doorleden tot de dood toe en daardoor, als wij geloven in Jezus, wordt ons leven, - zo gefragmenteerd en zo vol zinloosheid als het is - zinvol, vol van goddelijke zin, vol van verzoening met God.
Dat is ons heilig geloof en dat willen wij nu dan ook gaan belijden in het Credo, waarin de grotendeels onzichtbare dingen en personen zichtbaar worden voor ons door de geloofsintuïtie van ons eigen hart.