Eerste lezing: Handelingen 9,26-31 [B89]; antwoordpsalm: Ps 22,26b-27.28.30.31-32 [B89];
Tweede lezing: 1 Johannes 3,18-24 [B90]; vers voor het evangelie: Johannes 15,4.5b [B91];
Evangelie: Johannes 15,1-8 [B91]
Inleiding
'Cantate Domino, canticum novum.' 'Zingt voor de Heer een nieuw gezang.' Een nieuw gezang? Komt de aloude Kerk nu opeens met een nieuw gezang aan? De tekst is toch al van ver vóór Christus, psalm 98, en de melodie is ook al van eeuwen terug. En toch een nieuw gezang? Waar moeten wij dan die nieuwheid in zoeken? Niet in de datering van de tekst of van de melodie, niet in de oorspronkelijkheid, niet in het nieuw zíjn, maar in het vermogen om nieuw te máken. De Geest van Jezus doet een nieuw menszijn geboren worden. "Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Rijk Gods niet binnengaan", zegt Jezus (Joh 3,5). Opnieuw geboren worden, een geest van verjonging ondergaan, de oude manier van menszijn moet het veld ruimen voor een nieuwe manier van menszijn. Het is een nieuwe manier van omgaan met de goede gaven van God, dat wij ons die niet toe-eigenen, niet opeisen, maar dat wij die ontvangen in dankbaarheid. Daardoor krijgen we een nieuwe houding tegenover het kwaad, tegenover het lijden, tegenover de zonde. Afschuw van de zonde, de vreze des Heren, én zoals het straks in de tweede lezing zal klinken: "vrijmoedig omgaan met God", in vertrouwen dat al onze zonden zijn goed gemaakt. We krijgen een nieuwe houding tegenover het kwaad, dat wij kwaad niet vergelden met kwaad, maar dat wij het kwaad, zoals Jezus dat gedaan heeft, geduldig, liefdevol verdragen. Als dát niet nieuw is, dan weet ik niet wat we dan nog wel nieuw kunnen noemen.
Die geest van vernieuwing is ons bij het doopsel ingestort; dat is ons meegegeven met ons menszijn. Wij zijn geboren in het oude menszijn en we worden door ons geloof herboren in het nieuwe menszijn. Een nieuwe geboorte.
Dat is dan wat wij bij de viering van de eucharistie op zondag eerst nog eens willen belijden en doormaken.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Ik ben de ware wijnstok
en mijn Vader is de wijnbouwer.
Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt,
snijdt Hij af;
en elke rank die wel vrucht draagt,
zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen.
Gij zijt al rein
dank zij het woord dat Ik tot u gesproken heb.
Blijft in Mij,
dan blijf Ik in u.
Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf,
maar alleen als zij blijft aan de wijnstok,
zo gij evenmin, als gij niet blijft in Mij.
Ik ben de wijnstok, gij de ranken.
Wie in Mij blijft, terwijl Ik blijf in hem,
die draagt veel vrucht,
want los van Mij kunt gij niets.
Als iemand niet in Mij blijft
wordt hij weggeworpen als de rank en verdort;
men brengt ze bij elkaar,
gooit ze in het vuur en ze verbranden.
Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven,
vraagt dan wat ge wilt en ge zult het krijgen.
Hierdoor wordt mijn Vader verheerlijkt,
dat gij rijke vruchten draagt;
zo zult ge mijn leerlingen zijn
Homilie
Dat Jezus in ons woont (verblijft) weten we door de heilige Geest die Hij ons gegeven heeft." Zo eindigde de tweede lezing uit de eerste brief van sint Jan. We weten dus dat wij in God blijven, in God blijven zoals Hij Zich tegenwoordig heeft gesteld en Zich geopenbaard en medegedeeld heeft in Jezus. Dat weten we door de heilige Geest. Die beweging van de heilige Geest is niet iets statisch, maar het is een beweging tussen de Zoon en de Vader. Het is een beweging in ons hart, die ons in het woord van de Zoon opneemt in een beweging naar de Vader toe. Daaraan kunnen we merken dat Jezus in ons blijft en wij in Hem.
De heilige Geest bevestigt ons steeds meer in de vreze des Heren, zegt de eerste lezing uit de Handelingen van de Apostelen. Terwijl Hij hen "steeds meer bevestigde in de vreze des Heren, namen zij gestadig in aantal toe, in kwaliteit en in kwantiteit, door de vertroosting van de heilige Geest."
In het evangelie zegt Jezus: "Blijft in Mij, dan blijf Ik in u." Hij blijft in ons en wij blijven in Hem. Tot negenmaal toe wordt het woord 'blijven' genoemd. Allereerst geldt dat woord voor Jezus. Hij blijft bij de mensen, ook als de mensen niet bij Hem blijven, als ze van Hem weglopen. "Deze taal stuit iemand tegen de borst.
Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap. Waarop Jezus aan de twaalf apostelen vroeg: Wilt ook gij soms weggaan?" (Joh 6,60.66-68). Wilt ook gij soms niet 'blijven'? Jezus blijft niet alleen als de mensen van Hem weglopen, maar zelfs als de mensen Hem uit de weg willen ruimen, Hem buiten de stad willen werpen, buiten de heilige stad Jeruzalem. Als een onreine willen zij Hem uit hun midden verwijderen. Maar Jezus blijft! Het is niet zo dat de mensen Hem niets kunnen aandoen, dat ze Hem niet gevangen kunnen nemen, kunnen martelen, Eén keer is genoeg geweest dat ze Hem hebben toegeroepen: "Aan het kruis met Hem" (Mt 27,22). Weg met Hem. Maar die ene keer heeft Hij laten zien, dat Hij die smadelijke behandeling heeft opgenomen met een geduldig, liefdevol vergevend hart. "Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen" (Lc 23,34).
Het lag niet aan Jezus dat Hij is weggegaan, ze hebben Hem eruit geworpen, de steen die de bouwlieden hebben afgekeurd voor de bouw van hun tempel. En Hij heeft dit allemaal willen doormaken om aan ons te laten zien, dat wanneer wij Hem hetzelfde aandoen, de Zoon van God opnieuw bespotten en aan het kruis slaan, Hij dan diezelfde reactie zal tonen: geduldig verdragen. Wat Hij toen deed, dat blijft Hij doen en dat doet Hij ook nu. Wat ze Hem toen aangedaan hebben, dat doen de mensen Hem ook nu aan, ook wij. Maar als men Hem leed aandeed, verdroeg Hij het geduldig, het oordeel overlatend aan de Vader, die rechtvaardig oordeelt. Als wij scholden, schold Hij niet terug. Als Hij vervloekt wordt, zoals het vervloeken van zijn Naam als een stopwoord gebruikt wordt in onze dagen, als een soort tussenvoegsel, dan verdraagt Hij dat geduldig. Hij blijft.
"Blijft in Mij, dan blijf Ik in u." Dat 'blijven' is iets van trouw, en trouw is de goddelijke dimensie van de liefde. Zoiets als wat mensen elkaar beloven, wanneer ze in het christelijk huwelijk zich met elkaar verbinden: in goede en kwade dagen. Jezus is trouw als mensen hun hart voor Hem openen, maar ook als zij hun hart voor Hem sluiten, of alleen maar oppervlakkig, als beleefdheid of uit gewoonte een teken van eerbied maken bij het heilig Sacrament, of blijven knielen als een vormelijkheid, een ceremonie, een randverschijnsel. Hij blijft niet als randverschijnsel, dat Hij Zich met de mensen wil bezighouden als een soort verplichting, nee, Hij blijft met liefde. Hoe Hij dat meent, kan Hij ons eigenlijk maar op één manier duidelijk maken. Hij kan maar één situatie bedenken hoe wij ons zijn verhouding met ons moeten indenken, en dat is: zijn verhouding met de Vader. "Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar het is de Vader, die blijvend in Mij, zijn werk verricht" (Joh 14). De Vader blijft in Jezus, en zo blijft Jezus in ons. Die verbondenheid van Jezus met ons is zo diep als zijn verbondenheid met de Vader.
Dat geeft eigenlijk een heel aparte dimensie aan ons leven. Dat wij ten opzichte van Jezus niet naast elkaar zijn of tegenover elkaar, maar in elkaar, zoiets wat mensen met hun intimi verbonden heeft: kinderen met hun vader en moeder. De mensen durven zich niet meer met elkaar te verbinden omdat ze niet geloven in de blijvende trouw van de ander, bijvoorbeeld omdat zij een scheiding tussen vader en moeder hebben meegemaakt. In blijvende trouw kunnen ze dan niet meer geloven. Zij hebben gemerkt dat de fundamenten van de menselijke verhoudingen onbetrouwbaar zijn. Het op een gegeven ogenblik weggaan van vader of moeder drukt een stempel op hun verwachting van alle menselijke verhoudingen. Alle menselijke verhoudingen worden dan gezien in het licht van deze eerste menselijke verhouding waarin ze zijn opgegroeid. De menselijke trouw is onbetrouwbaar, het kan zomaar uit elkaar vallen. Wat niet kan en wat niet mag, gebeurt toch. En van daaruit verandert heel de wereld van de mensen, heel het milieu, steeds maar weer veranderingen in het milieu, steeds maar weer een nieuwe outfit, steeds maar weer een nieuw kleurtje, steeds weer een nieuwe rangschikking van de organisatie, van de inrichting. De mensen worden er scheel van. Ze zijn niet meer thuis op deze wereld. Als de buren verhuizen, verhuizen zij eigenlijk ook. Op het ogenblik verhuizen de mensen gemiddeld zeven keer in hun leven, steeds maar weer iets anders. Maar Jezus blijft.
Dat Jezus blijft, is iets om je niet genoeg over te verbazen. Dat Jezus is gebleven en niet voorgoed een goed heenkomen heeft gezocht in de hemel, maar dat Hij vanuit de hemel als Hemelmens steeds weer als Verrezene in ons midden wil zijn, om vanuit dat middelpunt een nieuwe mensheid op te bouwen, rond Hem die blijft namens de Vader. Tussen een uiteenvallende mensheid staat Jezus als de Enige die echt blijft, die echt trouw is, waarop je echt kunt vertrouwen, waarop je dus altijd kunt terugvallen.
Daarom is het goed, dat wij in onze menselijke verhoudingen steeds weer meemaken dat die menselijke verhoudingen niet blijvend zijn, dat je daar niet op kunt steunen, dat je daar tussen kunt verblijven zonder daarop je levenszekerheid te bouwen. Elke keer moet je zien dat die menselijke verhoudingen broos zijn, kwetsbaar, onbetrouwbaar. Maar dan mag je weten, dat je steeds weer mag terugvallen op Hem die blijft. Je zult merken, dat als je op Hem terugvalt, Hij er is om altijd bij je te blijven.