Donderdag in de zesde week
     van het even jaar
                             Heilige Pacomius, abt


Eerste lezing: Jakobus 2,1-9 [III 67]
Evangelie: Marcus 8,27-33 [III 68]


Inleiding  

'Het ene geslacht moet aan 't ander herhalen …' Dit lied, zowel de muziek als de tekst van de gebroeders De Vocht uit België, is gemaakt in een generatie vóór deze generatie, zowel de tekst als de toonzetting is van een ander geslacht, maar het is hetzelfde geloof. In andere bewoordingen, in een andere toonzetting geeft zij ons geloof weer, dat God zijn volk voedt met zijn liefde, met zijn goedheid, met zijn Zoon. Waar Hij zelf van geslacht tot geslacht, van alle eeuwigheid van leeft, dat is goed voor het mensengeslacht, om het van geslacht tot geslacht over te leveren en ons ermee te laten voeden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen
naar de dorpen rond Caesarea van Filippus.
Onderweg stelde Hij aan zijn leerlingen de vraag:
“Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”
Zij antwoordden Hem:
“Johannes de Doper, anderen zeggen Elia
en weer anderen zeggen dat Gij een van de profeten zijt.”
Daarop stelde Hij hun de vraag:
“Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?”
Petrus antwoordde: “Gij zijt de Christus.”
Maar Hij verbood hun nadrukkelijk iemand hierover te spreken.
Daarop begon Hij hun te leren,
dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden
en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden
verworpen moest worden,
maar dat Hij na ter dood te zijn gebracht
drie dagen later zou verrijzen.
Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid.
Toen nam Petrus Jezus terzijde
en begon Hem ernstig daarover te onderhouden.
Maar Zich omkerend keek Hij naar zijn leerlingen
en voegde Petrus op strenge toon toe:
“Ga weg, satan, terug!
Want gij laat u leiden door menselijke overwegingen
en niet door wat God wil.”

Homilie  

Wat een dramatisch evangelie! Een climax en een anticlimax. Het begon zo mooi wat de mensen van Jezus zeggen: Johannes de Doper, Elia, één van de profeten. Dan dé Messias, dé Christus. En dan de anticlimax, Petrus, vol goede bedoelingen en goedgelovigheid, wordt toegesnauwd, afgesnauwd: "Ga weg, satan!" Is dat nu die zachtmoedige Meester? Is dat nu diezelfde Jezus van wie ze woorden zo vol van genade mochten ontvangen, dat ze aan zijn lippen hingen? Is dat nu dezelfde Jezus? Wij zouden zeggen: autoritair hoor. Hij staat op zijn strepen. Ga weg, terug. Achter Mij, letterlijk: op je plaats, achter Mij aan.  

Zo had Jezus Petrus ook geroepen, met datzelfde woord: "Kom, volg Mij." Ga met Mij. Maar er staat eigenlijk een woord voor 'achter' Mij, achter Mij áán, letterlijk, ze moesten letterlijk achter Hem aanlopen. Je bent een volgeling, krijgt Petrus nu te horen. Loop dan niet voor Mij uit. Je bent een leerling. Je hoeft Me niet de les te lezen.

Als we denken: wat is Jezus daar uit de hoogte, moeten we wel bedenken dat Jezus zo doet op het moment dat Hij hem de les leest van het lijden. "Daarop begon Hij hun te leren” - leraar, met gezag - “dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden", veel zou moeten lijden van de gezagsdragers, dat Hij het onderspit zou delven. Jezus is onze Meester in de minste te zijn. Hij gaat ons voor in het leerling zijn. En als iemand daartegen in verzet komt, komt bij Jezus alles in verzet. Dan staat Hij op zijn strepen. Dan werpt Hij zijn volle autoriteit in de schaal.  Hij maakt duidelijk op grond waarvan zijn volgelingen leerling zijn geworden. Dat neemt het onsympathieke van zijn optreden weg.

Maar er is nog iets anders. "Ga weg, satan. Terug. Ge laat u leiden door menselijke overwegingen." Wie is die 'gij'? Is dat nu Petrus die zo wordt gebruuskeerd, of is het de satan? Wij denken: Petrus wordt uitgescholden voor satan. Maar zo is het niet. Wij kunnen ons eigenlijk niet zo goed voorstellen dat die woorden tot Petrus gericht zijn, dat Jezus één van zijn leerlingen zo zou aanspreken. Zijn leerlingen zijn zwakke mensen, zo doe je toch niet tegen zwakke mensen! Zo doet Jezus ook niet als Petrus zijn zwakheid toont, dan krijgt hij, zoals bij het Laatste Avondmaal, een vermanend woord, maar geen brute afwijzing. Nee, het is satan die wordt afgeblaft als een hond, niet Petrus. Dat 'gij' moet eigenlijk vertaald worden door 'jij'. Op het moment dat Petrus zich verzet tegen het lijden van Jezus is het de satan die Petrus in de greep heeft. In zijn verzet tegen het lijden herkent Jezus in Petrus de satan. Satan - duivel, in het Grieks 'diabolos', dat betekent zoveel als: dwarsdrijver, tegenstander, er recht tegenin; dus niet zwak, nee vierkant verkeerd. En als de oorlog eenmaal uitgebroken is, moet je niet met je vijand gaan praten. Praten ervoor, praten erna, maar als het eenmaal oorlog is, er recht tegenin.

Alleen wanneer er gemeenschappelijke uitgangspunten zijn, kun je met iemand dialogeren, een gesprek voeren, maar Jezus heeft geen gemeenschappelijke uitgangspunten met de slechte geest, dus kan er geen dialoog zijn. Er is maar één oplossing: recht er tegenin. Tegen de verkeerde wil van de satan in. En Petrus dan, met al zijn goede bedoelingen en zijn mooie woorden: "Dat verhoede God, zoiets zal U nooit overkomen!" Petrus is, met zijn goede bedoelingen en zijn mooie woorden, op dat moment in de greep van de verkeerde geest. Niet hij is door en door slecht, maar de geest in de greep waarvan hij nu is.

Als je bekoord wordt en je weet zeker: 'het is een verkeerde geest die mij influistert om zo te doen, zo te denken', geef dan niet toe, maar doe precies het tegenovergestelde van wat je wordt ingefluisterd. Ga er recht tegenin. Met de duivel moet je niet praten, het lijkt aanvankelijk  onschuldig, ach, een klein beetje toegeven dat is toch niet zo erg, maar de richting is verkeerd, de dynamiek, het streven, de onderstroom is verkeerd! Wanneer je daarin meegaat is dat het begin van het einde. Hij wil je met heel zijn intelligentie, met heel zijn vastbeslotenheid in het verderf storten. Arme mens, toch al zo zwak en dan nog geconfronteerd worden met zo'n machtige tegenstander, dat is ongelijk spel, dat is niet eerlijk, daar zijn we gewoon niet tegen opgewassen, er is geen beginnen aan. Maar vergeet niet dat de duivel uiteindelijk in het nadeel is, want sinds de zoendood van Jezus is hij gebonden en wie is er nu bang voor een gevaarlijk monster dat aan de ketting ligt? Je moet niet binnen het bereik van die ketting komen, je moet de gelegenheid van de zonde vermijden, maar als je de gelegenheid van de zonde vermijdt, heb je van de duivel niets te vrezen. Een grommend monster, maar achter tralies. Dat is de duivel, hij laat zijn tanden zien, maar hij is gebonden. Hij heeft geen bruggenhoofd in deze wereld. Als het ene land tegen een ander land  ten strijde trekt en het heeft behalve een eigen krijgsmacht ook nog een bruggenhoofd in dat vijandige land, dan is de strijd bij voorbaat al beslist, dan zijn de dagen van de vijand geteld. Toen de geallieerden eenmaal in Normandië een bruggenhoofd hadden op het continent, waren de dagen van de vijand geteld. Het was slechts een kwestie van tijd.

De hel heeft hier een massa invloed en er is niemand die daar niet mee van doen heeft, van hoog tot laag, iedereen staat onder de invloed, heeft die tegenkracht in zich, maar er is geen bruggenhoofd, er is geen enkele plek op deze wereld, er is geen mens helemaal in de greep van de boze. Want de kwade geest heeft geen bruggenhoofd op deze wereld, geen enkel punt dat hij voor de volle honderd procent in zijn greep heeft.  De hemel heeft wel een bruggenhoofd op deze wereld, Jezus, Maria. Een Gever (Jezus) en een ontvanger (Maria). En de Kerk waarin het woord van God voor de volle honderd procent in zijn zuiverheid en gaafheid is bewaard en wordt doorgegeven, zoals we zongen: 'van het ene geslacht op het andere', in dat woord staan we nu en wat er straks gaat gebeuren, is dat de hemel neerdaalt op de aarde. Wat de priester er ook van maakt in zijn persoonlijk leven, wat de volgelingen van Jezus er ook van maken, de Kerk blijft zwak en menselijk, maar wat God aan de Kerk heeft toevertrouwd, is goddelijk,  is heilig, dat is "zuiver, zonder vlek of rimpel of fout, heilig en onbesmet" (Ef 5,27) en daar is de duivel niet tegen opgewassen.