Eerste lezing: Jakobus 2,14-24.26 [III 69];
Evangelie: Marcus 8,34-9,1 [III 70]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd liet Jezus behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich komen,
en sprak tot hen:
Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen
door zichzelf te verloochenen
en zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het evangelie
zal het redden.
Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen,
als dit ten koste gaat van eigen leven?
Wat toch zou een mens in ruil kunnen geven voor zijn leven?
Als iemand zich schaamt over Mij en mijn woorden
ten overstaan van dit overspelig en zondig geslacht,
zal ook de Mensenzoon Zich over hem schamen
wanneer Hij, vergezeld van de heilige engelen,
komt in de heerlijkheid van zijn Vader.
Hij sprak tot hen:
Voorwaar, Ik zeg u:
onder de hier aanwezigen zijn er die de dood niet zullen ervaren,
voordat zij zien dat het Rijk Gods is gekomen in kracht.
Homilie
Wie zijn die aanwezigen die de dood niet zullen ervaren voordat zij zien "dat het Rijk Gods is gekomen in kracht?" Het zijn Petrus, Johannes en Jakobus, die onmiddellijk na dit gesprek van Jezus met zijn leerlingen over het lijden, met Hem mee de berg op mogen om daar te zien hoe Hij van gedaante verandert. Zwakke mens in heerlijkheid en kracht. Daarmee wordt de verwerping beneden in de vlakte gekoppeld aan de heerlijkheid boven op de berg en wordt een aanschouwelijke verbeelding gegeven van de woorden van Jezus: "Wie zijn leven verliest - in het lijden - zal het redden", zal gered worden. Kijk maar, daar boven op de berg.
Jezus spreekt tot zijn leerlingen en Hij spreekt tot het gehele volk, want Hij liet behalve zijn leerlingen ook het volk bij Zich komen. Van de leerlingen staat dat zij anders zijn dan de mensen, dan het volk, want Jezus vraagt: "Wie zeggen de mensen dat Ik ben? (Mc 8,27). En dan antwoorden de leerlingen: Johannes de Doper, Elia, een van de profeten. En daarop stelde Hij hun de vraag: Maar gíj, wie zegt gíj dat Ik ben?" (Mc 8,28-29) Blijkbaar verwacht Jezus van zijn leerlingen een ander antwoord dan van de mensen, dan van het volk.
Ben je als leerling van Jezus anders? Ben je op grond van anders-zijn geroepen? Zijn de leerlingen van Jezus gekozen omdat ze intelligenter zijn? Of misschien juist omdat ze dommer zijn? Of eenvoudiger van geest, of een fijner religieus aanvoelingsvermogen hebben? Nee, ze zijn uit het volk genomen en ze maken in geen enkel opzicht verschil ten opzichte van degenen waaruit ze zijn genomen. Niet de leerlingen zijn anders, niet de christenen zijn anders, maar Christus is anders. En in de navolging van Jezus ga je met Hem om en door met Hem om te gaan, word je zoals Degene met wie je omgaat, word je anders, krijg je andere ideeën, andere gevoelens, een andere kijk op de werkelijkheid. We zien dat in meer dan levensgrote afmetingen in het verschil tussen de Kerk en de wereld. Wat een verschil! Dat verschil ontstaat niet door de mensen die tot de Kerk behoren, maar dat verschil ontstaat door Christus tot wie de mensen van de Kerk behoren, en in wie zij veranderd worden. Zoals in de eucharistie, getranssubstantieerd, getransformeerd.
Eén verandering is het, waarin alle andere veranderingen zijn ingesloten: de verandering in het zicht op het lijden, de verandering in het zicht op frustratie, op zinloosheid, zelfverlies, zelfverloochening. Vanuit de wereld kunnen mensen daar niets in zien. Alles wat ze daarover debiteren is naïviteit of slimme redenatie. Vanuit zichzelf kan het lijden alleen gezien worden als verlies, maar wij hebben een andere toegang tot de zinloosheid, doordat wij opgenomen worden in Jezus, in het Geheim van Jezus. Zo staat het er ook: "Wie zijn leven verliest omwille van Mij en het evangelie
Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen." Het gaat steeds om dat Mij, het gaat om de vereniging met Hém. Het gaat niet om het lijden, het gaat om het lijden van Jezus, het gaat om het kruis. "Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen
en zijn kruis op zich te nemen." Het kruis van Jezus. Dat gebeurt niet pas aan het einde van je leven, dat kruis opnemen is een voortdurend gebeuren, je leven bezien als een kruisweg, waarin voortdurend allerlei vormen van kruis, kruisiging, van doorkruising van je menselijke verlangens, van het zelfbehoud, je op je levensweg vergezellen. Zoals het kruis Jezus op zijn weg naar Golgotha vergezelde.
Maar daarin, in de diepte van die zelfverloochening, komt het eigenlijke leven vrij, een leven van Godswege. Een leven van de andere kant van de dood. Dat kan alleen maar onze Redder brengen. We worden niet gered van het lijden en de dood, maar we worden juist gered door het lijden en door de dood. Niet door het lijden en de dood op zichzelf, maar wij worden gered in de lijdende en stervende Jezus. In Hem zijn we immers gedoopt! In zijn graf hebben wij immers ons eigen 'ik' begraven en met zijn offer, zijn levensoffer, worden wij toch vereenzelvigd in de heilige eucharistie. Dan worden wij ook van zijn leven voorzien bij de verrijzenis en krijgen wij deel aan Hem in de heilige communie.