Dinsdag in de zesde week
    van het even jaar
         

Eerste lezing: Jakobus 1,12-18 [III 63];  
Evangelie: Marcus 8,14-21 [III 64]


Inleiding  


In het openingslied hebben we gezongen: 'Heer, mijn God, ik ben zeker van U.' Als iemand zeker is van God, dan is dat de hoogste zekerheid die er op de wereld bestaat. We kennen allerlei vormen van zekerheid: mathematische zekerheid, sociale zekerheid, economische zekerheid, enzovoort. Maar al die zekerheden kunnen niet in de schaduw staan van de zekerheid die God in onze ziel legt, de zekerheid van zijn trouw, waarbij vergeleken alle dingen die houvast geven in het leven, voorbijgaand zijn, ijdel zijn. "Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan" (Mt 24,35; vgl. Mc 13,31; Lc 21,33). Van zijn trouw heeft Hij een onverwoestbaar onderpand gegeven. Dat is wat wij in de eucharistie vieren: zijn trouw tot in de dood, zijn liefde tot het uiterste. Wij hoeven ons geen zorgen te maken. De hemelse Vader geeft ons zijn eigen Zoon als onderpand van zijn trouw, als levend brood dat uit de hemel is neergedaald.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd hadden de leerlingen vergeten brood mee te nemen
zodat zij niet meer dan één brood bij zich in de boot hadden.
Toen gaf Jezus hun deze waarschuwing:
“Let op, wacht u voor het zuurdeeg van de Farizeeën
en het zuurdeeg van Herodes.”
Zij spraken daarover onder elkaar:
“Dat zegt Hij omdat we geen brood hebben.”
Maar Hij bemerkte het en sprak:
“Wat bespreekt ge daar onderling?
Dat Ik dit gezegd heb, omdat ge geen brood hebt?
Begrijpt en verstaat ge het dan nog niet?
Is uw geest dan zo verblind?
Ge hebt toch ogen: ziet ge niets?
Ge hebt toch oren: hoort ge dan niets?
En herinnert ge u niet hoeveel korven vol brokken gij hebt opgehaald,
toen Ik voor de vijfduizend die vijf broden heb gebroken?”
Zij antwoordden Hem: “Twaalf.”
“En hoeveel manden vol brokken hebt gij opgehaald,
toen met die zeven voor de vierduizend?”
En zij antwoordden: “Zeven.”
Daarop zei Hij hun: “Begrijpt ge het dan nog niet?”

Homilie  

“Let op, wacht u voor het zuurdeeg van de Farizeeën en het zuurdeeg van Herodes!"
De leerlingen betrekken deze woorden van Jezus op hun eigen situatie en dat is goed: "Zij spraken daarover met elkaar: dat zegt Hij, omdat we geen brood hebben." Maar zij spraken daarover op een manier dat Jezus zelf buiten hun gezichtsveld blijft. Zij tonen bezorgdheid over brood na Jezus' wonder van de broodvermenigvuldiging. Zij maken zich druk over brood met het Brood des levens in hun midden!

Doordat Jezus in ons midden is gekomen wordt alles anders: de gewone dingen van het leven waar mensen zich druk over maken, verliezen hun betekenis: "Wat maakt gij u zorgen over kleding, voedsel, gezondheid ... Uw hemelse Vader weet wel, dat gij al deze dingen nodig hebt” (Mt 6,24-34). Met Jezus aan boord van je zielescheepje is er geen reden meer om bang te zijn in doodsgevaar: “Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat gij nog geen geloof bezit? (Mc 4,40-41). Bij Jezus verliest zelfs de dood zijn soevereiniteit: “Uw dochter is gestorven. Waartoe zoudt ge de Meester nog langer lastig vallen? Jezus zei tot de overste van de synagoge: Wees niet bang, maar blijf geloven (Mc 5,35-36). De dood is voor Hem niet meer dan een slaap: “Waarom dit misbaar en geween? Het kind is niet gestorven, maar slaapt." (Mc 5,39).

Met Jezus in je midden is er geen reden meer om je te beklagen over eenzaamheid, dat er niemand is die naar je luistert. In het heilig Sacrament toont Hij Zich als de beste luisteraar van de wereld. In Hem heb je een Vriend die je aanvoelt als geen ander.
Zolang Jezus nog niet alles voor je is, geloof je nog niet echt in Hem, ben je nog een kleingelovige, zoals de apostelen in de boot, die Jezus buiten sluiten in hun zorgen over brood. Zij laten Jezus er zózeer buiten, dat Jezus als het ware van buiten af bij hen moet binnendringen. Dat uit zich erin, dat Jezus alleen maar vragen stelt, alsof ze nog helemaal geen deel hadden aan het geheim van Jezus. Jezus vuurt negen vragen op hen af. Daardoor worden de leerlingen zelf in de vraag gesteld. In de vraag gesteld in het enige waarop het bij Jezus aankomt: in hun geloof: "Begrijpt en verstaat ge het dan nog niet? Is uw geest dan zo verblind?” … “Begrijpt ge het dan nog niet?" Dit is echt een evangelie voor mensen die veel met Jezus omgaan, met Hem vertrouwelijk zijn en daardoor, juist zoals zijn familieleden, geneigd zijn zijn betekenis te reduceren tot die van een gewoon mens: "Is dat niet de timmerman? ... de zoon van Maria en de broeder van Jakobus  ... En zij namen er aanstoot aan" (Mc 6,1-6).

Laat de inzet van deze eucharistie zijn, dat wij niet heengaan voor we ons helemaal verzadigd hebben aan Hem, vol geworden zijn van Hem, zodat wij weten dat er van Hem altijd genoeg is, in ons leven, op deze wereld.