Eerste lezing: Jakobus 3,1-10
Evangelie: Mc. 9,2-13
Inleiding
Vandaag vieren wij Maria als 'Moeder van de schone Liefde'. Deze uitdrukking vinden wij voor het eerst in de heilige Schrift, in het boek Jezus Sirach, waar van de Wijsheid gezegd wordt: "Ik ben de Moeder van de schone Liefde, en daaraan wordt nog toegevoegd: de Moeder van de Vrees, van de Kennis en van de zalige Hoop." God is schoon in de zin van mooi. Maria is ook mooi. Ze is natuurlijk op de eerste plaats zonder vlek; 'Immaculata' betekent 'zonder vuil'. Maar iets dat alleen maar schoon is, in die zin van: zonder vuil, zonder smet, hoeft nog niet mooi te zijn. Maria is schoon, zonder vlek of rimpel, maar zij is ook mooi. Heel haar wezen is gericht op God. God is waar, God is goed in zijn handelen. Dat is ook wat paus Benedictus zegt in de encycliek: 'God is liefde'. Liefde is God. Alles waar je echte liefde tegenkomt, daar is God. God is ook mooi. Waar wij schoonheid tegenkomen, daar komen wij God tegen, én Maria, de 'Moeder van de schone liefde'.
Die geestelijke schoonheid - want daar gaat het natuurlijk op de eerste plaats om, die zich natuurlijk ook wel uitdrukt in uiterlijke schoonheid - die geestelijke schoonheid wordt in het misformulier van vandaag geroemd als 'vol van genade', als 'vervuld van de bekoorlijkheid en de wijsheid van Judith', als 'de luister en de bevalligheid van de koningin', als 'de bruid van de Messiaanse Koning'.
Belijden wij dan eerst onze schuld, ons niet helemaal schoon zijn, niet helemaal zonder vlek, om deze heilige Geheimen, waarin wij de schoonheid van God zullen vieren, goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes
met zich mee
en bracht hen boven op een hoge berg
waar zij geheel alleen waren.
Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd.
Zijn kleed werd glanzend
en zo wit als geen volder ter wereld maken kan.
Elia verscheen hun, samen met Mozes
en zij onderhielden zich met Jezus.
Petrus nam het woord
en zei tot Jezus:
Rabbi, het is goed dat wij hier zijn.
Laten we drie tenten bouwen:
een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.
Hij wist niet goed wat hij zei,
want ze waren geheel verbluft.
Een wolk kwam hen overschaduwen
en uit die wolk klonk een stem:
Dit is mijn Zoon, de Welbeminde,
luistert naar Hem.
Toen ze rondkeken zagen ze plotseling
niemand anders bij hen dan alleen Jezus.
Onder het afdalen van de berg
verbood Jezus hun
aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden
voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.
Ze hielden het inderdaad voor zich,
al vroegen zij zich onder elkaar af
wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen.
Aan Jezus stelden zij de vraag:
Waarom zeggen de schriftgeleerden toch
dat eerst Elia moet komen?
Hij antwoordde hun:
Elia komt eerst om alles te herstellen.
Maar wat staat er geschreven over de Mensenzoon?
Dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden.
Maar Ik zeg u: Elia is al gekomen
en ze hebben naar willekeur met hem gehandeld,
zoals over hem geschreven staat.
Homilie
De lezingen van vandaag passen goed bij elkaar: Jakobus' pleidooi voor zorgvuldigheid bij het spreken en het bergbeklimmingsverhaal van Jezus met zijn apostelen. Niet spreken, want je hebt je adem nodig voor het beklimmen. Bergmensen zijn zwijgzame mensen. Ze leven in de nabijheid van iets groots, iets majesteitelijks. In dat woord 'majesteit' zit het woord 'majus' en dat betekent: groter. Altijd leven in de nabijheid van wat groter is. Zoals dat ook bij Jezus het geval is. Zegt Jezus zelf niet: "De Vader is groter dan Ik"? (Joh 14,28). Zoals bergmensen leven in de nabijheid van wat groter is dan zijzelf, van waar ze tegenop kijken, zo leeft Jezus in de nabijheid van zijn Vader, naar Wie Hij altijd opziet, die groter is dan Hij, naar Wie Hij luistert, van Wie Hij het woord ontvangt en aan wiens Wil Hij gehoorzaamt.
Je zou kunnen zeggen dat bidden zoveel is als het beklimmen van een berg. Want het eigene van een berg is dat het zich uitheft boven de, boven het vlakke landschap. Dat moet je bij het beklimmen achter je laten. Het duurt een tijd voor je boven bent, het is een moeizaam gebeuren, je komt maar langzaam vooruit. Precies zo gaat het in het gebed; je hebt een lange voorbereidingstijd nodig voorafgaand aan het gebed en je merkt dat het steeds stiller wordt in je. Zoals bij het beklimmen van een berg het ook steeds stiller wordt, minder bebouwing, minder mensen, hoe hoger je komt, des te minder begroeiing, minder geluid, minder leven. En als je nu op de top bent aangeland, wat is daar dan? Niets, niets, niets! Dat is het 'niets' waar sint Jan van het Kruis over spreekt: het 'niets' bij het bidden, het 'niets' in het geestelijk leven. 'Nada, nada, nada'. Heel het geestelijk leven wordt door hem geprojecteerd tegen de berghelling, de berghelling van God. Er staat dan ook: "Hij bracht hen boven op een hoge berg waar zij geheel alleen waren, waar ze niet gestoord werden door wie dan ook. Dat was de bedoeling, daar ging het om. Het begon met waar ze geheel alleen waren en daar eindigt het ook mee: Toen zij rondkeken zagen zij plotseling niemand anders bij hen dan alleen Jezus." In dat alleen zijn krijgt Jezus de plaats die Hem toekomt. Hij alleen.
Is dat niet bidden? Je door Jezus laten meenemen naar een hoge berg, naar God toe. En wat gebeurt er dan daarboven op de berg? Bidden! Hier, in deze perikoop bij Marcus, staat dat er niet, maar bij Lucas staat het er wel: "Jezus nam hen (de leerlingen) met Zich mee en besteeg de berg om er te bidden" (Lc 9,28). Er staat nogal eens: Jezus ging de berg op, of naar de eenzaamheid om er te bidden. Blijkbaar is dat dé plek om te bidden. Daar moet je dus geestelijk doen wat je bij het beklimmen van een berg lichamelijk doet: alles loslaten, alles beneden laten, je woorden laten, je gevoelens laten, je gedachten laten.
Dat hoort ook bij dit gebeuren op de berg Tabor, want alles wat we van God kunnen zeggen, daarvan moeten we meteen ontkennen wat wij gezegd hebben. Er vond een heerlijkheidservaring plaats: "Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd. Zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen volder ter wereld maken kan." Dat is ook weer zo'n ontkennen van wat er eerst werd gezegd: wit, stralend wit, maar zó wit kunnen wij het niet maken. Dat is een bovennatuurlijk wit, een hemels wit. Zo ontken je dus steeds weer wat je zegt.
Als Petrus toch een poging waagt: "laten we hier drie tenten bouwen", dan denkt hij aan iets bekends, en dat is natuurlijk aan de tenten van het Loofhuttenfeest, want dat was het feest dat ze vierden. Het was de laatste dag van dat feest, de zevende dag, de voornaamste dag. Petrus denkt bij deze gebeurtenis aan een eeuwig Loofhuttenfeest, en daar was hij dan ook niet zo ver naast, omdat ook Elia hier bij deze heerlijkheidservaring aanwezig was. Híj was immers de profeet die het herstel van alle dingen aankondigde. Zelf zegt Jezus ook: "Elia komt eerst om alles te herstellen." Daarom, met loofhutten bouwen voor het eeuwige Loofhuttenfeest, was Petrus er niet ver naast. Toch staat er daarna: "Hij wist niet goed wat hij zei", hij sloeg de plank helemaal mis. En waarom was hij er helemaal naast? Omdat aan dat eeuwig verblijf in die loofhutten daarboven op de berg, daarboven bij God, een dal vooraf gaat, een diepte-ervaring, een vernederingservaring. Als je door Jezus meegenomen wordt, dan mag je gerust zijn: het loopt goed af, maar het gaat wel via een kruisweg. Want "wat staat er geschreven over de Mensenzoon?
Dat Hij veel zal moeten lijden en veracht zal worden."
Dat moeten waarbij Jezus Zich thuis voelt, dat moeten ligt ook diep verscholen in ons eigen hart. Wij vinden voor ons gevoel, dat wij op alles wat tegen ons gevoel van redelijkheid ingaat, of tegen ons gevoel van waarheid, of van zuiverheid, toch heel diep in ons hart mogen zeggen: maar het moet! Het moet van Hem. Het is een 'Jezus-moeten'! En in dat omvormingsproces van 'het moet', - niet vanuit de natuur, vanuit de menselijkheid, vanuit de redelijkheid, maar het 'moeten' van Hem uit, - word je altijd opgenomen als je gaat bidden. Daar moet het in eindigen. Al die dingen die in je verstrooiingen omhoog komen, verzet tegen dit, een naar gevoel hebben bij dat, die mogen gaandeweg in het gebed worden getransponeerd in 'het moet van Hem uit'. Het is goed zo.
Hij neemt je nu ook hier mee in dit gebeuren, zoals brood en wijn meegenomen worden en opgenomen worden in Hem. 'Dit is mijn Lichaam'. Daar gebeurt het sacramenteel, liturgisch, ritueel, zodat wij dat ook gemakkelijker kunnen volbrengen in het leven van alle dag.