Dinsdag in de zesde week
   van het oneven jaar

Eerste lezing: Genesis 6,5;7,1-5.10
Evangelie Marcus 8,14-21  

                     
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd hadden de leerlingen vergeten brood mee te nemen,
zodat ze niet meer dan één brood bij zich in de boot hadden.
Jezus gaf hun deze waarschuwing:
“Let op, wacht u voor het zuurdeeg van de Farizeeën
en het zuurdeeg van Herodes!”
Ze spraken daarover onder elkaar:
“Dat zegt Hij omdat we geen brood hebben.”
Maar Hij bemerkte het en sprak:
“Wat bespreekt ge daar onderling?
Dat Ik dat gezegd heb, omdat ge geen brood hebt?
Begrijpt en verstaat ge het dan nog niet?
Is uw geest dan zo verblind?
Ge hebt toch ogen, ziet ge dan niets?
Ge hebt toch oren, hoort ge dan niets?
En herinnert ge u niet hoeveel korven vol brokken
gij hebt opgehaald,
toen Ik voor de vijfduizend die vijf broden heb gebroken?”
Zij antwoordden Hem: “Twaalf.”
“En hoeveel manden vol brokken hebt gij opgehaald
toen met die zeven voor de vierduizend?”
En zij antwoordden: “Zeven.”
Daarop zei Hij hun: “Begrijpt ge het dan nog niet?”

Homilie      

“God kreeg spijt dat Hij de mens op aarde gemaakt had en Hij was er zeer verdrietig om."
Toen paus Johannes Paulus II eens iets dergelijks debiteerde, - hij heeft zoiets gezegd van: 'God heeft zich van de mensen teruggetrokken', - kwam daar meteen commentaar op in alle kranten en op de radio, zowel van gelovige en als van ongelovige zijde. Het was zó onthutsend. In die tijd was er een radioprogramma dat mensen uitnodigde, om via telefoon of internet hun mening te geven over een bepaald onderwerp. Nadat de paus dit gezegd had, was het onderwerp van de discussie: de Paus zegt dat de mensen het verbruid hebben bij God. Bent u het daarmee eens of oneens? Maar tien procent was het er mee eens, dat de mensen het inderdaad bij God verbruid hadden.

Maar in de heilige Schrift wordt niet alleen dit mensvormige gevoel God in de schoenen geschoven, Hem wordt toegedicht dat Hij er ook naar gehandeld heeft. Want God zei: "Ik ga de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt heb.” Zo gezegd, zo gedaan. “Op de zevende dag stortte het water van de vloed over de aarde neer." Hoe God is, hoe Hij doet en handelt, is niet te beschrijven. Wat je er over zegt, is altijd onjuist. Dat moet altijd weer ontkend worden. Het enige dat de mens kan doen, als hij tegenover het wezen van God en zijn handelen staat, is zijn verstand loslaten. God is veel te groot en past niet in de nauwe schaal van je schedel of in de enge ruimte van je hart. Het is zoiets als recht in het licht van de zon kijken, dan zie je ook helemaal niets, en word je verblind. Als je recht in de mysteries van ons geloof kijkt, wordt je verstand verduisterd. Het enige dat mensen dan nog kunnen doen, is de ogen sluiten voor dat overmatige licht en aanbidden. En aanbidden is: je werpen in het niets van het schepsel zijn, je met je niets toevertrouwen aan God. Bij Hem ben je veilig met je niets. In de vrije val word je opgevangen door de goedheid van God, die je ook uit goedheid, uit liefde, uit het niets heeft geschapen.

Gods spijt is niet het laatste, is niet het diepste in het hart van God, maar de genade. Noach en zijn gezin en al die dieren moesten in de ark, om de mensheid en de rest van de schepping te laten voortbestaan door Gods genade, hetgeen een beeld is van het Nieuwe Verbond. Zo zegt Petrus het in zijn doopbrief aan pasgedoopte christenen, of aan degenen die zich op het doopsel voorbereiden: "In de ark bleven slechts enkelen, niet meer dan acht personen, behouden te midden van het water. Dit was een voorafbeelding van het doopwater, waardoor gij nu gered wordt. De doop beoogt niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid, maar de verbintenis met God van een goed geweten, krachtens de opstanding van Jezus Christus" (1 Pe 3,20.21). Dat geweten dat niet alleen maar berouw heeft over zijn zonden, maar dat tegelijkertijd weet heeft, voeling houdt, met Jezus Christus, die zijn leven gegeven heeft tot vergiffenis van de zonde.

Door de Ark van het Nieuwe Verbond worden wij allen gered. De vloed van de zonde wordt ingehaald door een vloed van genade. Of met een ander woord uit het evangelie van vandaag: Hij is het Brood des levens, het levende Brood, dat God aan de wereld heeft gegeven, opdat de mensen niet zouden omkomen, opdat de mensen zich nooit meer ergens zorgen over hoefden te maken, zoals de leerlingen wel deden, en dus eigenlijk niet geloofden. Ze spraken met elkaar over wat Jezus gezegd had: "Let op, wacht u voor het zuurdeeg van de Farizeeën en het zuurdeeg van Herodes.” … “Dat zegt Hij omdat we geen brood hebben." Zij toonden zich bezorgd over brood na de vermenigvuldiging van de broden. Dat evangelie is net aan de orde geweest. Dus met het Brood van het leven in hun midden, maken zij zich zorgen over brood.

Domme apostelen, domme gelovigen! Je druk maken over eenzaamheid, niemand die naar je luistert, en je hebt het heilig Sacrament altijd in je midden, Iemand die met zijn Hart naar je luistert, die je al zo dikwijls heeft laten merken dat er niemand is die je zo goed aanvoelt als Hij. Domme volgelingen van Jezus. Ze beklagen zich over vervolging, over afgewezen worden, over afgezonderd worden, geïsoleerd worden, terwijl ze geroepen zijn tot navolging van Jezus, die dat in gestalte is: afgewezen, vervolgd, bespot, uitgelachen. Je bent niet bij je diepste zelf als je je daarover beklaagt. Je laat je leiden door je hartstochten, je laat je leiden door een verkeerde geest, niet door de heilige Geest die je naar Hem toetrekt, zodat je je thuis kunt voelen bij je thuisloosheid, ja, zelfs bevoorrecht, uitverkoren. Net zoals je je bij je roeping voelde, zo mag je je ook uitverkoren voelen bij de situaties van afwijzing. Afwijzing verbindt je meer dan wat ook met Hem.
Zo mogen wij ons in de eucharistie, waar we het Woord van God hebben gehoord, laten verrijken door zijn zelfgave. Hij, de Afgewezene, Hij is ons erfdeel.