Donderdag in de zesde week
    van het oneven jaar
Eerste lezing: Genesis 9,1-13
Evangelie: Marcus 8,27-33  

                     
Inleiding      

'Adorate Deum omnes angeli ejus.' 'Aanbidt God al zijn engelen.' In de aanbidding is heel je wezen bij Degene die je aanbidt. De engelen worden dan ook genoemd: engelen van God. Ze zijn helemaal weg van God, vol van God. En als je weg bent van God, dan ben je helemaal zelveloos. Dáárheen moet de mens in zijn opgang naar God. Hij moet zichzelf verloochenen, afstand doen van zichzelf, zichzelf niet kennen. En de weg van zijn opgang naar God is de weg van Jezus, die in zijn lijden en dood door de volledige zelveloosheid is gegaan, om in die zelveloosheid God zijn redder te laten zijn.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij nog zo dikwijls onszelf proberen te redden, onszelf rechtvaardigen, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus


In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen
naar de dorpen rond Caesarea van Filippus.
Onderweg stelde Hij aan zijn leerlingen de vraag:
“Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”
Ze antwoordden Hem:
“Johannes de Doper, anderen zeggen Elia,
weer anderen zeggen dat Gij een van de profeten zijt.”
Daarop stelde Hij hun de vraag:
“Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?”
Petrus antwoordde: “Gij zijt de Christus.”
Maar Hij verbood hun nadrukkelijk iemand hierover te spreken.
Daarop begon Hij hun te leren
dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden
en door de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden
verworpen moest worden,
maar dat Hij na ter dood te zijn gebracht,
drie dagen later zou verrijzen.
Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid.
Toen nam Petrus Jezus terzijde
en begon Hem ernstig daarover te onderhouden.
Maar Zich omkerend keek Hij naar zijn leerlingen
en voegde Petrus op strenge toon toe:
“Ga weg, satan, terug!
Want gij laat u leiden door menselijke overwegingen
en niet door wat God wil.”

Homilie    

               
Weet u het nog? In het evangelie van dinsdag noemde Jezus zijn leerlingen blinden, geestelijk blinden. "Begrijpt en verstaat ge het dan nog niet? Is uw geest dan zo verblind? Ge hebt toch ogen: ziet ge dan niets? (Mc 8,17.18) En later nog eens: “Begrijpt gij het dan nog niet?" (Mc 8,21). Gisteren werd aan de blinde van Betsaïda lichamelijk gedaan wat vandaag door God aan de geestelijk verblinde leerlingen wordt gedaan. Ze krijgen het licht, ze krijgen het licht van Jezus, het Licht van de wereld. Maar zoals eerder al werd gezegd, worden mensen, die echt in het licht van de geheimen van God kijken, er door verblind. Dat kan een menselijk hart gewoon niet vatten. Je kunt het niet opnemen, niet aannemen, niet aanvaarden, een Messias die lijdt, een Messias, Redder van het volk, die Zichzelf niet kan redden, die Zichzelf niet kan helpen.

Toen Jezus dat gezegd had, "dat de Messias veel zou moeten lijden, nam Petrus Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden." 'Ernstig daarover te onderhouden' is een manier om het Griekse woord te vertalen, eigenlijk staat er zoiets als: hij voer tegen Jezus uit, hij begon Hem te bezweren. Het is hetzelfde woord om aan te duiden dat Jezus een duivel uitdrijft. Als was Jezus een dwarsgeest. Petrus ging dwars tegen Jezus' leer in, en hij deed dat vanuit het diepst van zijn hart, van zijn onbekeerde hart, van zijn zondige hart.

Hier stoten twee geesten op elkaar en de inzet is het mensbeeld. Bij Jezus is de mens iemand die zichzelf niet kan helpen, laat staan dat hij zichzelf kan rédden. God is de Redder! Je kunt pas gered worden als je zelf bekent helemaal hulpeloos te zijn. Zo is het menszijn voor God: verloren. Bij Petrus schuilt er dat andere mensbeeld achter: een mens moet zichzelf kunnen redden. Dat is nu de zonde! Zonde is: de schepping en ook jezelf in eigen beheer nemen, jezelf toe-eigenen, en dat vindt dan ook doorgang in alles, ook in de verlossing. Je moet jezelf verlossen.

Als je lichamelijk moet meemaken dat je je in alles moet laten helpen, dan is dat vernederend. Dat heeft Jezus aan Zich willen laten doen op de kruisweg door Simon van Cyrene. Wat Hij zijn leerlingen voorhield, dat je je kruis moet opnemen en dragen, heeft Hijzelf niet gekund. Hij heeft het geprobeerd, maar Hij was er te zwak voor, Hij bezweek eronder. Dat is hét voorbeeld van je zwakheid aannemen, van accepteren dat je hulpeloos bent. Nog hulpelozer is Hij in zijn dood. Dan keert Hij terug op de schoot van zijn moeder, dan is Hij weer helemaal kind. En daarachter staat zijn Vader om Hem in zíjn schoot terug op te nemen. Als je Jezus niet ziet achter het lijden en de dood, achter je volstrekte reddeloosheid en hopeloosheid, dan kun je je hulpeloosheid niet aannemen. Dan verval je bij het lijden in zelfmedelijden. Datgene wat je bij God kan brengen, zou móeten brengen, doet je met verdubbelde kracht op jezelf terugvallen.

Tussen Jezus en Petrus is een geweldige strijd aan de gang, een strijd tussen hemel en hel. "Ga weg, satan, terug!" Ze staan als geesten tegenover elkaar, het is een over en weer bezweren, en de inzet is: een lijdende Messias. Maar de inzet is óók dat je zelf hulpeloos moet zijn. En daar komt je hart tegen in opstand. De natuur breekt uit in een hels verzet. Sta er niet van te kijken; laat je door je gevoelens van opstand, van verwarring of van terneergeslagenheid niet op stang jagen. Jezus heeft het zelf ook gekend in de Hof van Olijven. Maar als je blijft vertrouwen dat God je Redder is, dan komt er een rust over je die niemand, ook de duivel niet, je kan ontnemen.