Vrijdag in de zesde week
  van het oneven jaar
Eerste lezing: Genesis 11,1-9  
Evangelie: Marcus 8,34-9,1

                     
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd liet Jezus behalve zijn leerlingen
ook het volk bij zich komen
en sprak tot hen:
“Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen
door zichzelf te verloochenen
en zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het evangelie
zal het redden.
Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen
als dit ten koste gaat van eigen leven?
Wat toch zou een mens in ruil kunnen geven voor zijn leven?
Als iemand zich schaamt over Mij en mijn woorden
ten overstaan van dit overspelige en zondige geslacht,
zal ook de Mensenzoon zich over hem schamen,
wanneer Hij, vergezeld van de heilige engelen,
komt in de heerlijkheid van zijn Vader.”
Hij sprak tot hen:
“Voorwaar, Ik zeg u:
Onder de hier aanwezigen zijn er die de dood niet zullen ervaren,
voordat zij zien dat het Rijk Gods is gekomen in kracht.”

Homilie      
           
“Dat het Rijk Gods is gekomen in kracht."
Jezus zelf is het Rijk Gods; Hij is de koninklijke heerschappij van God in eigen Persoon. In Hem is God helemaal Koning. Maar ondanks dat Hij zelf het Rijk Gods is, staat Hij in zwakheid voor het volk en zijn leerlingen, en Hij laat Zich volgen in zwakheid. Hij stelt Zichzelf ook nog voor als Iemand die eens zal komen in heerlijkheid: "De Mensenzoon, vergezeld van de heilige engelen, komt in de heerlijkheid van zijn Vader.” Dát houdt Hij hun voor te geloven, echter, sommigen mogen het ook zien: “Voorwaar, Ik zeg u, Onder de hier aanwezigen zijn er die de dood niet zullen ervaren, voordat zij zien dat het Rijk Gods gekomen is in kracht.”
In het evangelie van morgen zullen we horen, hoe “Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met Zich meenam en hen boven op een hoge berg bracht. Hoe Hij voor hun ogen van gedaante werd veranderd, en hoe zijn kleed glanzend werd en zo wit als geen volder ter wereld maken kan. Verder horen we hoe Elia hun verscheen samen met Mozes en hoe zij zich onderhielden met Jezus" (Mc 9,2-4). Tóen hebben zij het Rijk Gods gezien in kracht.

Hier wordt ons heel de heilsgeschiedenis, heel het plan van God met de wereld en met ieder van ons, in een paar regels voorgehouden. Jezus geeft dat vandaag nog eens weer met de woorden: "Wie zijn leven wil redden zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het evangelie zal het redden." Nu lijkt dat op het eerste gehoor een gewone mensenwijsheid. Wat is er natuurlijker dan dat! De natuur doet het ons voor. In de zestiger jaren werd dat nog uit volle borst gezongen:
      'Wie als een god wil leven hier op aarde,
       hij moet de weg van alle zaad
       en zo vindt hij genade.
      Hij wordt aan zon en regen prijs gegeven,
      het kleinste zaad in weer en wind
      moet sterven om te leven.'
En Jezus zegt ons dat zelf ook: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort" (Joh 12,24). Maar toch, als zoiets je dreigt te overkomen, dan …! Toen Franciscus Xaverius zich geroepen wist om van het betrekkelijk veilige en overzichtelijke India, waar al Portugezen waren, over te steken naar de eilanden, waarvan hij ooit had gehoord dat ze levensgevaarlijk waren, zei hij: 'Wie die woorden in het evangelie leest, vindt ze glashelder, maar als je op het punt staat om omwille van Jezus je leven te verliezen, dan worden je die glasheldere woorden duister. Het zegt je niets. Het doet je niets. Want waarom zou het ons, mensen, moeten vergaan als een dier, als een plant, als de bloemen op het veld waarvan Jezus zegt: "Als God nu het veldgewas dat er vandaag nog staat en morgen in de oven wordt geworpen…" (Mt 6,30; vgl. Lc 12,28).

Het is al vernederend voor een mens om hulpbehoevend te worden, om zich in alles te moeten laten helpen als een kind, maar in de dood ben je helemaal nergens, heb je zelfs geen 'ik' meer. Toch wil die vergelijking met het zaad in de akker, - dat het ons moet vergaan zoals het zaad in de akker, - ons niet duidelijk maken dat het zo natuurlijk is, want dat is het niet voor de mens. Het ís niet volgens zijn natuur, want in den beginne werd hij voor de onsterfelijkheid geschapen. Máár: ofschoon vernederend is het kleine zaad in de akker toch vruchtbaar. Het wordt ons voorgehouden als een contrast. Jezus in zijn zwakheid als contrast tot de Mensenzoon in heerlijkheid. En de apostel, vandaag vernederd door het perspectief dezelfde weg te moeten gaan als Jezus, en morgen, de volgende dag, boven op de berg, badend in zijn heerlijkheid. Het is niet natuurlijk, maar het is o zo vruchtbaar.

Je zou ook kunnen zeggen: iets wat in zichzelf volkomen zinloos is, onredelijk, vernederend, dat wordt met Hem anders. Het is met het lijden zo ongeveer als met het natuurlijk groeiproces. Een kind, eerst veilig geborgen in de schoot van zijn moeder en daarna in de veilige omgeving van het gezin, moet een uittocht doormaken. Het moet zich gaan wagen in die onveilige, onoverzichtelijke, vreemde, buitenwereld. Waarom zou het dat risico nemen? Dat doet het toch alleen maar omdat het ziet, dat zijn moeder, die naar buiten is gegaan, weer vrolijk en blij terugkomt. Je kunt blijkbaar in die verschrikkelijke buitenwereld overleven. En het ziet ook dat vader zich nog dieper waagt in die buitenwereld, hij blijft er nog langer in weg. Maar ook hij komt onbezorgd en blij terug.

Natuurlijk verstaan niet alle ouders de kunst om die vrede ook werkelijk in zichzelf te hebben en over te brengen, maar elke mens krijgt op de weg door het leven, waarin hij een buitengewoon gevaarlijke en onveilige zone met het lijden en de dood moet doorschrijden, een wegbegeleider: Jezus. Hij gaat met je mee. Wij zien, horen en vieren steeds in de eucharistie dat Hij er doorheen is gegaan. Zo gaat Hij er ook doorheen met u. En hoe doet Hij dat? Door tegen u te zeggen: 'De vrede zij u.' Dat wensen we elkaar, maar dat krijgt u eerst toegewenst vanaf het altaar. Het mag soms verschrikkelijk zijn, maar u komt er doorheen. Hij is bij u. Zijn leven is uw leven. Hij heeft Zich met u verenigd. Laat u dan ook verenigen met Hem.