Dinsdag in de zesde week van Pasen
                                  HH. abten van Cluny
                                      (eigen lezingen)


Eerste lezing: Wijsheid van Jezus Sirach 44,1-8.10-15  
Evangelie: Matteüs 11,25-30


Inleiding    

'Gelukkig het volk dat jubelen mag.' We vieren vandaag de gedachtenis van de heilige abten van Cluny. Daarmee vieren we eigenlijk een volk, een vrij gemaakt volk. Hoe was in die tijd de situatie? Wat was de hoofdoorzaak van het kerkelijk verval? De kloosters waren, in de negende eeuw, in de greep van wereldlijke en ook geestelijke machten. Ze waren niet meer vrij om hun eigen abt te kiezen naar hun eigen geestelijke keuze en zij leidden dikwijls een leven in afhankelijkheid van wereldlijke belangen. Daarom begon Willem van Aquitanië rond 908, samen met abt Berno de heroprichting van Cluny in Bourgondië. De vrijheid van dat klooster werd naar binnen gewaarborgd door een vrije abtskeuze, en naar buiten door exemptie tegenover de bisschop, vrij van de macht van de bisschop, maar rechtstreeks ondergeordend aan de heilige Stoel.

Zo ontstond het zogenaamde Patrocinium Petri, het beschermheerschap van Petrus over de kloosters van Cluny, waardoor zij zich binnen hun eigen terrein veilig en geestelijk konden ontwikkelen. Daardoor werd het fundament gelegd voor een nieuwe bloei van het westerse monnikendom. Die vijf abten die wij vandaag vieren, Odo, Maiolus, Odilo, Hugo en de zalige Petrus Venerabilis, omspannen een tijdperk van ongeveer 250 jaar.
Belijden wij dan eerst onze schuld, onze afhankelijkheid van aardse machten, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd sprak Jezus:
“Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt
voor wijzen en verstandigen,
maar ze hebt geopenbaard aan kinderen.
Ja, Vader, zo heeft het U behaagd.
Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven.
Niemand kent de Zoon tenzij de Vader,
en niemand kent de Vader, tenzij de Zoon
en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren.
Komt allen tot Mij die uitgeput zijt
en onder lasten gebukt
en Ik zal u rust en verlichting schenken.
Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij:
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart
en gij zult rust vinden voor uw zielen,
want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”

Homilie      

De eerste lezing uit het boek der Wijsheid van Jezus Sirach wijst ons het doel, het resultaat. En het evangelie wijst ons de weg, de weg waarlangs je er komt. "Roemrijke mannen”, daar gaat het over. "Veel roem heeft de Heer hun gegeven. Heersers vol koninklijke waardigheid, mannen vermaard om hun kracht, raadgevers rijk aan inzicht, verkondigers van profetische woorden, leiders van het volk door hun wijze beslissingen, heersers door hun scherpzinnigheid, geleerden die anderen onderwezen …” En zo gaat het maar door. En de weg waarlangs: “Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kinderen."

Kinderen is eigenlijk een woord voor 'onmondigen', die helemaal niet kunnen spreken, laat staan dat ze enige wijsheid te berde kunnen brengen. Juist deze lezing is gekozen bij de heiligen van vandaag: de heilige abten van Cluny. Want die abten waren dan wel groot en verdienden ook wel al die schitterende eigenschappen die in de eerste lezing aan de wijzen worden toegekend, maar ze hebben zich in de opgave van hun abt-zijn klein gevoeld. Een klein besef van zichzelf, een klein zelfgevoel, vanwege de grote opgave waarvoor ze stonden: een communiteit leiden, grote communiteiten, te midden van een wereld waarin ze een uitzondering waren, geen machtige wereldlijke beschermheer hadden en het daarom in Rome zochten. Ze hebben tientallen jaren lang leiding gegeven aan belangrijke communiteiten. Met z'n vijven omspannen ze bijna twee en een halve eeuw. Tweehonderdvijftig jaar met vijf abten. Iedere abt is goed voor gemiddeld vijftig jaar. Drie zijn er meer dan vijftig jaar abt geweest. Maiolus vierenvijftig jaar, en Odo vijfenvijftig jaar. Hugo spant de kroon met zestig jaar.

Hun wordt het evangelie van het kindzijn voorgehouden, van het onmondig zijn. Hoe kom je tot grote wijsheid en verstand? Langs de weg van het kindzijn. Langs de weg van het niet-kunnen. Kindzijn in het evangelie, is niet onschuldig zijn, of argeloos, of naïef, een beetje eenvoudig, simpel, of ongecompliceerd, maar kindzijn in het evangelie is aangewezen zijn op krachten buiten zichzelf, omdat het geen kracht heeft in zichzelf. Het kan niet lezen, het kan niet schrijven, het kan niet eten, het kan niet drinken, het kan zichzelf niet aankleden. Als het kind nog klein is, is het nog helemaal niets, kan het niets. Maar het kind zit er niet mee, omdat het omgeven wordt door personen die precies verschaffen wat het zichzelf niet geven kan. Daarom is er voor dat kind nog iets anders nodig, niet alleen het niet-kunnen, maar het vertrouwen en rekenen op de ander. Het is weten van eigen grenzen en het vertrouwen dat iemand het heen tilt over de eigen grens heen.

De evangelische kleinheid is geen kleinheid in zichzelf, maar zij is relationeel, betrekkelijk, in betrekking staande tot de grootheid van God, tot de liefde van de Vader, de zorg van de voorzienige Goedheid. Dat is geen zelfgenoegzaamheid, maar barmhartigheid, liefdevolle en tedere zorg. Om zoiets te kunnen moet je eerst het niet-kunnen kunnen. Dat is in heel het mensenbedrijf zo. Je moet kunnen toegeven dat je het nog niet kunt. Als je van alles zegt:  'dat kan ik al, dat weet ik al', dan kun je het niet leren. Dan ben je zelfgenoegzaam.

In de loop der jaren hebben wij, door ons op te stellen in die houding van het niet-kunnen, van alles en nog wat geleerd. Maar hoe gaat het dan verder? Na een tijdje zijn we uitgeleerd, dan weten we het. Dan kunnen we het. Dan zijn we gearriveerd. Nu zegt het evangelie: met dat niet-kunnen, daar moet je nooit mee ophouden. Je bent nooit uitgeleerd. Je moet je altijd als leerling blijven opstellen. Je bent altijd in de leer. En daar hebben we ook een meester voor gekregen: Jezus. Jezus is onze Meester in het niet-kunnen. Hij is onze Meester in het luisteren, onze Meester in het leerling zijn, in het klein zijn. Jezus is onze Meester in het niet-kunnen en in het niet-kennen,  om zo - en daar gaat het natuurlijk om - de kracht en de kennis van zijn Vader te ontvangen. We komen er wel, maar niet uit onszelf, wij komen er vanuit ons kindzijn van de Vader. We krijgen het van God.

Nu zijn er natuurlijk heel wat dingen in de wereld die je niet direct van God hoeft te ontvangen, maar het eigenlijke, de wijsheid, hoe je met elkaar, hoe je met jezelf, met de dingen van God moet omgaan, dat kun je alleen maar van Hem ontvangen.

En je zult het ook ontvangen als je je opstelt in de houding van de leerling. Zoals u nu hier, op dit moment inderdaad bezig bent met luisteren, wij hier allemaal in de eucharistie. We staan in de luisterhouding tegenover het Woord van God en we staan straks ook in de ontvangende houding ten opzichte van de zelfgave van de Heer.