Donderdag in de zesde week van Pasen
                              Hemelvaart van de Heer, jaar C


Eerste lezing: Handelingen 1,1-11;
Tweede lezing: Efeziërs 1,17-23
Evangelie: Lucas 24,46-53


Inleiding      

's Heren Hemelvaart. De Heer vaart op naar de hemel, naar God. Jezus gaat naar de hemel. Het lijkt alsof Jezus dat doet op eigen kracht, maar wanneer we het geheim van 's Heren Hemelvaart beschouwen, dan zien we dat het niet een gebeuren is van Jezus' eigen kracht, maar dat Hij wordt opgenomen door de kracht van zijn hemelse Vader. "Na deze woorden werd Hij ten aanschouwen van hen omhoog geheven." Door wie? Door zijn Vader. Door die kracht die Jezus altijd bij Zich wist, ook in zijn grootste krachteloosheid. Hij doet het niet zelf. En ook wij doen het niet zelf, daar hebben wij de kracht niet voor. Als wij het zelf willen doen, is dat de zonde. De zonde is een eigenmachtige hemelvaart, een eigenmachtige hemelbestorming, zelf willen uitmaken wat goed en kwaad is. Zonde is dat wij het leven niet ontvangen uit Gods hand, maar het in eigen hand nemen. Zo'n eigenmachtige hemelvaart leidt tot een hellevaart. Jezus' hemelvaart werd bekroond met succes, omdat Hij helemaal zelveloos was. Alle krachteloosheid die Hij moest ondervinden, heeft Hij aangenomen, om zijn krachten door God zijn Vader te laten terugschenken.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Zo spreken de Schriften over het lijden
en sterven van de Messias
en zijn verrijzenis uit de doden op de derde dag,
over de verkondiging onder alle volkeren,
van de bekering en vergiffenis der zonden in zijn Naam.
Te beginnen met Jeruzalem moet gij van dit alles getuigen.
Daarom zend Ik tot u wat door mijn Vader beloofd is;
blijft dus in de stad,
totdat gij uit den hoge met kracht zult zijn toegerust.”
Nu leidde Hij hen naar buiten tot bij Bethanië;
Hij hief de handen omhoog en zegende hen.
En terwijl Hij hen zegende,
verwijderde Hij Zich van hen en werd ten hemel opgenomen.
Zij aanbaden Hem en keerden
met grote blijdschap naar Jeruzalem terug.
Zij hielden zich voortdurend op in de tempel
en verheerlijkten God.

Homilie      

“Hij werd ten hemel opgenomen. Ze aanbaden Hem."
Jezus is weg, ver weg, en Hij zal niet meer terugkeren, tenminste niet in deze tijd, in de kaders van onze geschiedenis. Het is een definitief afscheid.

"En ze keerden met grote blijdschap naar Jeruzalem terug." Zijn de leerlingen blij dat Jezus weg is? Hoe is dat mogelijk!? Hoe is dat te verstaan binnen de psychologie van gewone mensen? Dat afscheid op de berg te Bethanië was wel een heel ander afscheid dan het afscheid op Goede Vrijdag. Toen was Jezus mislukt. Alle verwachtingen die ze van Hem hadden, waren de bodem in geslagen. Het leek allemaal één groot misverstand. Maar dit afscheid op die veertigste dag na zijn verrijzenis had daarentegen iets triomfantelijks. Jezus gaat dit keer niet de dood in. Hij gaat het leven binnen. Niet ons aardse leven, dat is het leven bij God. Hij is niet overwonnen, zoals op Goede Vrijdag, maar God heeft Hem gelijk gegeven, Hem in ere hersteld, eerherstel gegeven. En dat is reden tot vreugde, tot grote vreugde.

Met hun verstand kunnen de leerlingen zich daarover wel verheugen, maar het gevoel hoeft zich daar nog niet bij aan te sluiten. Bij alle gevoel van vreugde over Jezus' overwinning kan er best een gevoel van droefenis zijn, want tenslotte bleven ze toch maar alleen achter. Ook de angst die er zou kunnen opkomen, zou móeten opkomen bij de gedachte dat zij er nu alleen voor stonden, speelt een rol mee. Ze staan voor die geweldige opgave om te getuigen van de Blijde Boodschap. Jezus zei hun: Daar moet je mee naar alle volkeren gaan. Te beginnen met Jeruzalem en Samaria en Judea, tot aan het uiteinde der aarde.

Die boodschap was iets waar de Joden niet op zaten te wachten, en de heidenen al helemaal niet. Dat hadden ze al gemerkt. Maar Jezus ging weg, dus zouden ze ook geen verslag meer kunnen uitbrengen van wat ze gedaan hadden, zoals destijds. Hoe moesten ze die afwijzing uitleggen? Had dat misschien aan hun gelegen?

Jezus gaat weg en blijft weg. Definitief weg, weg voor altijd. En toch zijn de leerlingen blij! Ze verkeren zelfs in grote blijdschap. "Ze keerden met grote blijdschap naar Jeruzalem terug." Blijdschap is iets van het gevoel, is iets van het hart, van het affect. Psychologisch is dat gevoel in die situatie niet zo goed na te voelen. Net zo min als wij de vreugde van de martelaren kunnen navoelen. Het zingen van Maximiliaan Kolbe in de hongerbunker. De lofprijzing van Polycarpus op de brandstapel. Het grote verlangen van pater Pio om aan een altaar te staan. Hij zou dat zijn hele leven wel willen doen, terwijl hij daar altijd verenigd werd met het lijden van Jezus. Net zo min als wij kunnen inkomen in de vreugde waarmee de heiligen van de naastenliefde een soms uitermate moeilijke, zware dienst aan zieken en lijdenden hebben bewezen, en nog bewijzen. Ook het getuigenis van die ene aanbiddingzuster kunnen we niet navoelen. Zij sprak over de dorre, nietszeggende gebedsuren bij het heilig Sacrament, maar voegde er aan toe: 'En ik kan er toch niet mee ophouden.'

Uit zulke ervaringen kunnen we iets vermoeden hoe het mogelijk is, dat de vreugde van de overwinning van Christus niet alleen het verstand treft, maar zich ook aan het hart kan meedelen en zo eerst werkelijk aankomt. Zoals het berouw over de zonden pas echt berouw is, wanneer het ook het gevoel doordringt. 'Vermorzeling van hart', noemen we dat. Pas als we van die mogelijkheden iets begrepen hebben, hebben we iets begrepen van Hemelvaart. Wat er eigenlijk gebeurt in de leerlingen is: het definitief aankomen van de verlossing in het hart van de mens, zodat kennis tot vreugde wordt.

Hoe heeft Jezus dat nu klaargespeeld? U hebt gehoord dat Hij Zich veertig dagen lang heeft meegedeeld door te verschijnen, er voor hun ogen te zijn en met hen te spreken. Hij heeft Zich lichamelijk aan hun zintuigen meegedeeld. "Hij verscheen hun gedurende veertig dagen en sprak met hen over het Rijk Gods.” En dan staat er nog bij: “Terwijl Hij met hen at." Eigenlijk staat er: 'terwijl Hij zout met hen at, terwijl Hij hen zout gaf.' Zout was de kostbaarste gave van de gastvrijheid en daarmee een uitdrukking van de gastvrijheid zelf. We zouden dus eigenlijk moeten vertalen: De Heer nam hen in zijn gastvrijheid op. Niet alleen een uiterlijke gastvrijheid, maar een deelname aan Jezus' eigen leven. Jezus heeft na zijn verrijzenis het geheim van zijn Persoon voelbaar gemaakt voor de zinnen en het hart van zijn leerlingen. Zij hadden met Hem een affectief contact. Het was niet alleen maar een gedachte, een idee. Verstandelijk wisten de leerlingen lang niet zoveel als wij nu van Jezus weten, maar zij kenden Jezus van binnenuit, vanuit het hart. Hij heeft Zich door hen lichamelijk laten aanraken en Hij heeft hen lichamelijk, zintuiglijk, affectief geraakt, geroerd. Zo kennen zij zijn boodschap.

Aan het einde staat er nog: "Hij hief de handen omhoog en zegende hen." Jezus verdwijnt al zegenend. Dat is het laatste beeld dat wij van Hem hebben: zijn zegenende handen, een gebaar van zegen. Hemelvaart is zegen. De handen van Christus zijn daarbij tot een dak geworden, een dak dat ons dekt, en tegelijkertijd zijn zijn handen een openende kracht die de deur van de hemel, de deur naar God, open maakt. Door dit zegenende gebaar van Jezus gaat de wereld naar boven toe open. Hij gaat weg, al zegenend, maar ook omgekeerd, in het zegenen blijft Hij bij ons. Hij is zelf tot zegen geworden.

Het gebeuren van de Hemelvaart van Jezus is voor de leerlingen tot zegen geweest. Als gezegenden gingen zij terug naar Jeruzalem. Kunt u nu begrijpen dat dat gepaard ging met blijdschap, met grote blijdschap? Zij wisten dat ze voor altijd gezegenden waren en dat zij altijd en overal, waar ze ook gingen, de zegenende handen van Jezus op zich zouden mogen weten. Jezus is het sacrament van de Godsontmoeting, en zoals wij Hem hier beleven in zijn lijden en dood, blijft Hij bij ons tot aan het einde van de wereld.