Heilige Mattias, apostel
Eerste lezing: Handelingen 1,15-17.20.26
Evangelie: Johannes 15,9-17
Inleiding
Mattias is in de plaats gekomen van Judas. Aan welke voorwaarden moest deze nieuwe apostel voldoen, uit welke kring werd Mattias gekozen? De Handelingen der Apostelen zullen het ons straks zeggen: "Dus moet één van de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf het doopsel van Johannes tot de dag waarop Hij van ons werd weggenomen, met ons een getuige worden van zijn verrijzenis."
Hoe worden wij een getuige van de verrijzenis? Hoe krijgt ons leven de kracht van het getuigenis dat er aan verbonden is? Wanneer wij ons met Jezus verenigen, met de mysteries van zijn Menswording, zijn lijden en zijn dood. Wanneer wij met ons leven beamen wat wij hier gaan vieren: de vereniging met Hem, die Zich op leven en dood verenigt met ons, in doopsel en dood.
Dat wij getuigen wilden zijn zonder onszelf echt helemaal in te zetten, zonder ons te verenigen met Hem op leven en dood, dat is eigenlijk onze zonde. Daardoor boet ons getuigenis aan kracht in, is het niet overtuigend, en daardoor dringt het leven van Jezus te weinig in onze wereld binnen. Wij blijven nog te veel hangen in het doodse leven.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Zoals de Vader Mij heeft liefgehad
zo heb ook Ik u liefgehad.
Blijft in mijn liefde.
Als gij mijn geboden onderhoudt
zult gij in mijn liefde blijven,
gelijk Ik, die de geboden van mijn Vader heb onderhouden
in zijn liefde blijf.
Dit zeg Ik u
opdat mijn vreugde in u moge zijn
en uw vreugde volkomen moge worden.
Dit is mijn gebod,
dat gij elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad.
Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze
dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.
Gij zijt mijn vrienden als gij doet wat Ik u gebied.
Ik noem u geen dienaars meer
want de dienaar weet niet wat zijn heer doet,
maar u heb Ik vrienden genoemd
want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord.
Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u,
en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan
en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn.
Dan zal de Vader u geven
al wat gij Hem in mijn Naam vraagt.
Dit is mijn gebod,
dat gij elkaar liefhebt.
Homilie
Wat een merkwaardige wijze van kiezen hielden de apostelen er op na bij het zoeken naar een plaatsvervanger voor Judas. Ze selecteren eerst: aan die en die voorwaarden moet iemand voldoen, dan roepen ze de heilige Geest aan, en dan laten ze het lot beslissen. Dus eerst bepalen ze het zelf, zelfwerkzaamheid, aan die en die voorwaarden moet hij voldoen, uit die kring moet hij gekozen worden. Dan wenden zij zich tot God, opdat Hij zou werken door de heilige Geest, en tenslotte wordt er ook nog geloot, de werkzaamheid van het toeval. Maar uiteindelijk vind je ook daarin weer de werkzaamheid van de mensen terug, want zij bepalen wat door het lot zal worden beslist.
Wat daarbij opvalt is dat zij er zorg voor dragen dat zij zich bij hun keuze van die twaalfde apostel niet laten leiden door menselijke motieven als voorkeur, antipathie, sympathie enzovoort, maar enkel en alleen door iets van buiten hen. Want de Kerk, waarvan de twaalf de grondslag vormen, is het werk van God.
Zo werd ook de Kerk door Jezus zelf ingesteld. "In die dagen ging Hij naar het gebergte om te bidden. Hij bracht de nacht door in gebed tot God. Bij het aanbreken van de dag riep Hij zijn leerlingen bij Zich en koos er twaalf uit
" (Lc 6,12 en 13). Hij koos er twaalf uit, maar doordat Hij tevoren de nacht in gebed had doorgebracht, moet je daarbij bedenken, dat Hij die groep van leerlingen eerst aan zijn geest heeft laten voorbijtrekken, één voor één, en dat Hij Zich afvroeg: wie wil God hebben? Wie heeft het welbehagen van mijn Vader? Waarbij voel Ik de sterkste bewogenheid van de heilige Geest? Zo is de keuze van Jezus toch de keuze van de Vader, en doet Jezus niets anders dan kiezen wat de Vader heeft gekozen, en Hij doet dat met dezelfde Geest, met dezelfde Geest van liefde en voorkeur, als waarmee de Vader zijn keuze deed. Het is dus het werk van de allerheiligste Drie-eenheid. Alle Drie zijn in elke keuze helemaal aanwezig. Om dat te onderstrepen werd ook deze tweede lezing gekozen: "Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u."
Apostel, dat kunnen er maar weinigen zijn. Twaalf, twaalf in getal. Maar tot de liefde zijn wij allemaal geroepen. "Blijft in mijn liefde. Dat zegt Jezus via zijn apostelen tot ons allemaal. Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad."
Hoe kan dat nu, liefde opleggen, gebieden? We worden opgeroepen om lief te hebben. Kan dat eigenlijk wel? Liefde is toch iets wat je overkomt, een spontaan gevoel van genegenheid. Liefhebben kun je toch niet op commando. Je kunt het toch niet helpen dat je voor sommigen iets voelt, genegenheid of sympathie, en dat je dat voor anderen niet voelt? Ja, dat is het geval met de gewone menselijke liefde. Gewone menselijke liefde is iets van je menselijk gevoel en dat kun je niet opleggen. Maar de liefde waarvan hier sprake is, is niet de gewone menselijke liefde, want die komt en gaat, die gaat af op bepaalde eigenschappen, of hij of zij mooi is of jong, verstandig of knap. Dat zijn allemaal eigenschappen die er mogen zijn, maar die ook weer vergaan. Of die weer in balans worden gehouden door andere eigenschappen waaraan men pas in een ander stadium de aandacht geeft, trouw bijvoorbeeld. Of er komen bepaalde eigenschappen in iemand naar voren die je niet zo sympathiek vindt, en die je algehele houding ten aanzien van die persoon gaan bepalen.
De liefde die hier in het spel is, de liefde die ons wordt opgelegd, is de goddelijke liefde en die goddelijke liefde is een liefde die helemaal belangeloos is. Die kan alleen leven in het menselijke hart als wij door de gewone begrenzingen en beperktheden van het menselijke gevoel zijn heen gestoten; pas dan kunnen wij aankomen op die diepte waarop God ons bemint en waardoor wij ons ook in onze contacten mogen laten leiden, namelijk: dat je die ander bemint omdat het die ander is. Deze persoon, niet omwille van zijn eigenschappen, niet om wat hij heeft, maar om wat hij is, om wat hij in het allerdiepste is: een kind van God.
Die liefde krijgen wij opgelegd. Dat betekent dat wij in de ander voor alles die diepte op moeten zoeken, dat we voorbijgaan aan hun eigenschappen, of ze nu sympathiek zijn of niet. Wij moeten de ander beminnen om wat hij in zijn allerdiepste diepte is: een kind van God, een mens aan wie God heel zijn liefde heeft geschonken. Dat deed Hij al bij de schepping, bij wat het paradijs uitmaakte: achter het bestaan van de dingen en van de mensen ligt Gods eindeloze goedheid en liefde verscholen. Maar bij de nieuwe schepping voltrekt zich een nieuwe openbaring, een nog meer nabije bron van Gods liefde wordt dan opengesteld in het goddelijk Hart van Jezus, en zoals hier staat: "niemand kan grotere liefde hebben voor een ander dan wanneer hij zijn leven geeft voor zijn vrienden."
Die liefde, dat is de liefde van God, dat is de liefde die God voor ons heeft. Dat is de liefde waarin wij de ander gehuld mogen zien. En waarin ook wij onszelf gehuld mogen zien. Mensen, mensenkinderen die eindeloos door God worden bemind omdat zíj het zijn. Een eigenschap die nooit verloren gaat. Een eigenschap, niet van de mens persoonlijk, maar van God voor deze mens. De goddelijke trouw, de trouwe liefde van God is onwankelbaar, onverslijtbaar.