Zaterdag in de zesde week van Pasen
                               Heilige Pacomius, abt


Eerste lezing: Handelingen 18,23-28
Evangelie: Johannes 16,23b-28


Inleiding    

Pacomius is de grondlegger van het monnikenleven zoals u (de zusters van priorij Nazareth) het leeft, van het leven in gemeenschap en onder gehoorzaamheid. Hij had namelijk bemerkt dat de eenzaamheid, wat de oorspronkelijke opzet van het monnikenleven was, kan leiden tot anarchie. In de eenzaamheid ('monachos' betekent 'alleen') kan de eigen wil gaan domineren, want als je niemand hebt om verantwoording aan af te leggen, kun je je eigen wil doen. Er is dus een 'tegenover' nodig voor het monnikenleven. Dat hadden de monniken al gauw door, zodat iedere monnik verplicht werd een eigen abbas te hebben, aan wie hij minstens om de twee weken verslag gaf over zijn doen en laten. Maar ze merkten dat dat toch nog te weinig was. Ook Pacomius merkte dat het alleen zijn in plaats van voordelen om God te zoeken en te vinden, ook veel nadelen had. De zorg voor woning, kleding en voedselvoorziening dreigde de woestijnman op te slokken. Hij bracht daarom monniken in kolonies bijeen om in onderling hulpbetoon te leven. Monnik-zijn, dat aanvankelijk eremiet-zijn was, alleen-zijn was, werd geleidelijk aan steeds meer coenobietisme, gemeenschappelijk leven. Het was zelfs zo sterk dat het eremiet-zijn door Basilius ten slotte min of meer veroordeeld werd, precies zoals we dat bij Benedictus zien. Cassianus zegt: 'Men kan zich niet vinden in een leven waarbij men God bemint, die men niet ziet, zonder zich eerst geoefend te hebben in het gemeenschappelijk leven, waarbij men zijn broeder bemint, die men ziet.' De beoefening van de naastenliefde wordt beschouwd als een noodzakelijk voorspel voor de vlucht van de enkeling in de eenzaamheid van de woestijn. Zo is het via Benedictus bij u terecht gekomen.
Belijden wij dan eerst onze schuld, onze onontvankelijkheid voor de werking van de heilige Geest door middel van de ander, van de naaste, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Voorwaar, voorwaar Ik zeg u:
wat gij de Vader ook zult vragen,
Hij zal het u geven in mijn Naam.
Tot nu toe hebt gij niets gevraagd in mijn Naam.
Vraagt en gij zult verkrijgen
opdat uw vreugde volkomen zij.
In beelden heb Ik hierover tot u gesproken;
er komt een uur dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken,
maar Mij onomwonden
tegenover u zal uiten omtrent de Vader.
Op die dag zult gij bidden in mijn Naam;
het is niet nodig te zeggen
dat Ik bij de Vader uw voorspreker zal zijn,
want de Vader zelf heeft u lief omdat gij Mij liefhebt
en omdat gij gelooft dat Ik van God ben uitgegaan.
Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen;
weer verlaat Ik de wereld en ga naar de Vader.

Homilie    

“ … het is niet nodig te zeggen dat Ik bij de Vader uw voorspreker zal zijn, want de Vader zelf heeft u lief …"
Dat betekent dat wij in de vieringen een onmiddellijk contact hebben met God. Want we zijn opgenomen in de Middelaar: Jezus. Jezus heeft een onmiddellijke verhouding met de Vader. Daarom zijn wij hier in Hem, zoals we aan het eind van het eucharistisch gebed zeggen: 'door Hem en met Hem en in Hem.' In Christus zijn wij onmiddellijk geordend op, in onmiddellijk contact met de Vader. Het is dan ook daarom dat wij, bijvoorbeeld wanneer de priester zegt: 'Laat ons bidden', een ogenblik stilhouden. Het is misschien een beetje kort, het kan misschien wat langer, maar het dient ervoor om ons die verhouding van onmiddellijkheid, die ieder persoonlijk heeft ten opzichte van God en wij allemaal samen, bewust te maken.

In de Handelingen van de Apostelen krijgen wij een aanschouwelijk voorbeeld van wat wij ons daarbij moeten voorstellen. Er verschijnt ineens een Jood op het toneel, Apollos uit Alexandrië, welbespraakt en doorkneed in de Schriften. "Hij had onderricht ontvangen in de Weg des Heren”, als leerling van Johannes, en “hij sprak vol geestdrift en gaf in bijzonderheden onderricht over alles wat Jezus betrof, hoewel hij alleen het doopsel van Johannes kende.” Waar had hij dat dan vandaan? "… de Vader zelf heeft u lief …," zegt Jezus in het evangelie. Dáár komt het vandaan, onmiddellijk van God. Niemand en niets ertussen. In de heilige Geest. De Geest roept met onuitsprekelijke verzuchtingen in ons hart: Abba, Vader. We zijn dus opgenomen in de verhouding die Jezus heeft tot zijn Abba. Hij is ook onze Abba. Dat is iets waarop iedere christen een beroep mag doen.

Tijdens de Geestelijke Oefeningen is het gepaster en veel beter, zegt Ignatius, dat bij het zoeken naar Gods wil de Schepper en Heer zelf Zich meedeelt aan de Hem toegewijde ziel. 'Daarom zal men in onmiddellijk contact de Schepper laten werken met het schepsel en het schepsel met zijn Schepper en Heer' (GO 15).
Een theoloog van naam heeft eens gezegd: 'De christen van de toekomst zal een mysticus zijn, of er zal helemaal geen christen zijn.' Met mysticus wordt dan iemand bedoeld die met zijn gedachten, gevoelens en handelingen vanuit die onmiddellijke verhouding met God leeft.

In de eucharistie zijn wij opgenomen in die onmiddellijke verhouding met God de Vader, zijn wij zozeer opgenomen in zijn Lichaam, dat wij Hem zíjn, dat wij middelaar zijn, dat wij, net zoals Jezus, een onmiddellijke verhouding met de Vader hebben.
Als nu iedereen zo onmiddellijk staat tegenover God, uit de Bron zelf kan putten, hoe komt het dan dat mensen nog zo onzeker zijn? Hoe komt het dan dat zij niet zo uit God leven? Een vergelijking kan u dat duidelijk maken.
Iemand ontdekt dat zijn huis boven een goudmijn staat. Dan is hij nog niet onmiddellijk miljonair. Hij moet dat goud nog zien te winnen. Zoals de man in het evangelie, die een grote schat ontdekte in de akker die hij bezig was te bewerken. Hij was nog niet direct in het bezit van zijn rijkdom. Er staat: "hij ging naar huis en verkocht alles wat hij bezat en kocht toen die akker" (Mt 13,44). Toen was hij er.

Het winnen van goud is een moeizame bezigheid. Het ontginnen van bodemschatten vraagt het uiterste. Het kost je alles. Zo is het ook met de schatten waarmee u dagelijks omringd bent: zijn werkelijke tegenwoordigheid in het heilig Sacrament, de Regel, dat is de concretisering van het evangelie in het dagelijkse leven, de wijsheid van de Kerkvaders, waaruit u wordt voorgelezen, het voorbeeld van de heiligen, de gecanoniseerde en de naamloze heiligen, de niet-gecanoniseerde heiligen, de heilige Schrift, de sacramenten. Wat bent ú rijk! Maar een mens gaat zoveel vooruit in het geestelijk leven als hij uitgaat uit eigenliefde, eigen wil, eigen belang (GO 189). In de mate dus dat hij alles geeft, alles loslaat. Ook daarin wordt voorzien in de heilige eucharistie. Want als wij straks de offerande vieren met brood en wijn, worden we uitgenodigd ons eigen leven los te laten; alles los te laten, onze schatten, dierbare dingen, personen, verhoudingen, onszelf, om daarvoor in de plaats die geweldige, onuitputtelijke schat te krijgen, de liefdesschat van de Vader in de hemel: zijn eigen Zoon.