Vrijdag in de zesde week van Pasen
                  Heilige Athanasius, bisschop en kerkleraar


Eerste lezing: Handelingen 18,9-18 [I 230]
Evangelie: Johannes 16,20-23a [I 231]


Inleiding    

Vandaag, op twee mei, vieren we de gedachtenis van de heilige Athanasius. Hij leefde in de vierde eeuw (295-373). De Voorzienigheid zond Athanasius naar de wereld, toen er in de Kerk een geweldige windhoos losbarstte en in steeds groter hevigheid aan de zuilen ervan rukte, zodat deze begonnen te wankelen. De heilige muren dreigden in elkaar te storten. Het had er de schijn van dat de machten uit de diepte en de krachten uit de hoogte de Kerk van de aardbodem wilden verdelgen. Maar één bleef er pal staan, als een rots, een golfbreker: Athanasius.
In het intredelied zongen we: 'in medio ecclesiae', 'in het midden van de Kerk'. Stond Athanasius in het midden van de Kerk omdat hij de heilige Antonius de hand boven het hoofd hield en Antonius hem, toen hij tijdens een van zijn vele ballingschappen in de woestijn zijn toevlucht zocht, een onderkomen gegeven heeft, om hem tegen zijn vijanden, waarvan hij er vele had, te beschermen? Of omdat hij het vita van Antonius heeft geschreven, waarin hij het gedachtegoed, het charisma, van de heilige Antonius aan het nageslacht, dus ook aan u, heeft overgeleverd? Of was het omdat hij leefde in een tijd waarin zich hetzelfde afspeelde als in onze tijd? Dat men God heel hoog had en ook Jezus heel hoog had, maar dat men vond dat Hij niet God was, omdat Hij mens was. En dat alles wat wij van God kunnen zeggen niets anders kan zijn dan tekenen, aarzelende uitingen, weifelende pogingen die ergens verwijzen naar wie en wat God is, maar waarvan we nooit kunnen zeggen: dat is God. God gaat alles en iedereen ver te boven. Maar wat wij wel kunnen zeggen, is: Jezus is God, de zoon van God, God de Zoon. Dat is het hart van ons heilige geloof, geformuleerd in Nicea, in het jaar 325: Jezus Christus waarlijk God en waarlijk mens. Dat werd bijna in heel de Kerk van die dagen aangevochten door de ketterij van Arius (het Woord Gods is niet eeuwig, maar geschapen in de tijd). De heilige Basilius zei daarvan: “De ketterij die sinds jaar en dag door Arius is uitgestrooid, schiet tot onbeschaamde hoogte op, en als een bittere wortel wordt zij reeds overmachtig, terwijl in de parochies de vaandeldragers van de ware leer ten gevolge van laster en smaad uit de kerken worden verdreven en de leiding wordt overgenomen door hen die de harten van de eenvoudigen misleiden.” Precies zoals in onze dagen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes


In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Gij zult wenen en weeklagen,
terwijl de wereld zich zal verheugen.
Gij zult bedroefd zijn,
maar uw droefenis zal in vreugde verkeren.
Wanneer de vrouw gaat baren,
is zij bedroefd omdat haar uur gekomen is;
maar wanneer zij het kindje ter wereld heeft gebracht
denkt ze niet meer aan de pijn
van blijdschap dat er een mens ter wereld is gekomen.
Zo zijt ook gij nu wel bedroefd,
maar wanneer Ik u zal weerzien
zal uw hart zich verheugen
en uw vreugde zal niemand u kunnen ontnemen.
Op die dag zult ge Mij over niets ondervragen.”

Homilie  


Op de zondagen en de weekdagen na Pasen zijn de evangelieperikopen genomen uit de afscheidsrede van Jezus. Maar we zijn toch ná Pasen? Past dat eigenlijk wel bij elkaar? Pasen, de verrijzenis, en het Laatste Avondmaal, afscheid, voorbereiding op de dood? Is dat niet een verschil als tussen hemel en aarde? Een verschil van leven en dood? Van droefheid en vreugde, van duisternis en licht?

Die woorden passen juist heel goed in de paastijd, want wat Jezus aan de apostelen en ook aan ons, de Kerk, wil meegeven, is nu juist dat er niet zo'n radicale tegenstelling hoeft te zijn. Hij, de zekerheid in het leven van de zijnen, gaat wel heen, dat wil zeggen, Hij gaat wel dood en dan zal ons hart bedroefd zijn, maar Hij komt terug! "Ik zal u weerzien" (Joh 16,22). Hij leeft! En dan gaat het niet zozeer over de wederkomst aan het einde der tijden, maar over wat er nu plaatsvindt, meteen met Pasen. Verrezen en wel verschijnt Hij aan zijn leerlingen, verschijnt Hij aan de Kerk. Hij is dieper bij ons, waarachtiger, meer levend, meer daar waar wij Hem nu nodig hebben, dan vóór zijn dood. Het is juist door zijn dood dat Hij geworden is die Hij was: de Heer over levenden en doden. Dat betekent dat de dood geen scheidsmuur meer is tussen leven hier en leven daar, tussen ons en God, tussen hemel en aarde. Jezus heeft de wanden van ons bestaan, van het zondige bestaan waarin we beklemd waren, uitgebroken en sindsdien leven we in die wondere wereld van na Pasen, een leven van na de dood. Een hemels leven.

Hoort u maar. Het is te ongelooflijk om waar te zijn, maar zo wordt het gezegd en zo is het ook: "Gij zijt nu wel bedroefd, maar Ik zal u weerzien. En dan zal uw hart zich verheugen en die vreugde zal niemand u kunnen ontnemen" (Joh 16,22). Er zijn dus momenten van droefheid, want Jezus sterft steeds. Dat gebeurt elke keer als je ergens je zinnen op gezet hebt, dus niet vrij bent, en het valt anders uit. Dan ben je bedroefd, dan verlies je je levensvreugde, de vreugde die je hebt in het leven hier en nu. Maar het antwoord daarop moet zijn de vereniging met Jezus, die het leven en de levensvreugde is van na de dood, en nu al te genieten, hier, voor de dood.

"Op die dag zult gij Mij over niets ondervragen. Voorwaar, Ik zeg u wat gij de Vader ook zult vragen Hij zal het u geven in mijn Naam. Tot nu toe hebt gij niets gevraagd. Vraag en ge zult verkrijgen opdat uw vreugde volkomen zij" (Joh 16,23). Opmerkelijk, vindt u niet? Een onwerkelijke vreugde, een volmaakte vreugde die niemand je kan ontnemen. Toch kun je dat elke keer constateren wanneer je over iets bedroefd bent geweest, er overheen gekomen bent, en het daarna als vreugde hebt ondervonden. Dat is een vreugde die volkomen is, sterker dan alles wat je die vreugde zou kunnen ontnemen.

Wij hebben dus eigenlijk niets anders en niemand anders nodig dan Christus zelf. In Hem heb je alles. En alles wat nog vóór Christus ligt, is eigenlijk maar gelijkenis. Zo legde Jezus de parabels dan ook uit. Als ze iets niet begrepen, legde Hij het ze uit, want Hij is zelf de uitleg, zelf de parabel.
Wie is Christus? Wie anders dan Degene die Zich in volkomen zelfverloochening wegschonk aan de Vader? Wie is Hij anders dan de Gekruisigde? En al wat vóór Christus is, wat dus nog niet door Christus is gekruisigd, dat is niet het eigenlijke. Maar als wij met deze gekruisigde Christus verenigd zijn, gaat inderdaad die wondere wereld open. Dan stroomt er licht in onze duisternis, eeuwig leven in onze dood, vrede die niemand ons kan ontnemen in een onvredige, warrige en verontruste wereld. Zo heeft Jezus werkelijk de wereld overwonnen. Hij zegt: "Ik heb de wereld overwonnen" (Joh 16,33). Het is aan ons om gebruik te maken van die kracht, en zo de wereld in onszelf te overwinnen, onszelf te overwinnen. Dan blijft Jezus de wereld overwinnen.