Heilige Filippus en Jakobus, apostelen
(eigen lezingen)
Eerste lezing: 1 Korintiërs 15,1-8 [ IV 29]
Evangelie: Johannes 14,6-15 [IV 30]
Inleiding
In de intredezang zien we het keerpunt in de verhouding tussen God en de mens. 'In ellende riepen zij tot U.' Dat doet de mens. 'En Gij verhoorde hem vanuit de hemel.' Dat doet God. Dat is het draaipunt in de heilsgeschiedenis. De mens zoekt God en God zoekt de mens. Vandaag wordt dit in de liturgie toegepast op de apostel-martelaren Filippus en Jakobus. Ze worden door dit gebed, uit het boek Jeremia, ingeleid in de viering van Jezus' dood en verrijzenis. En Jezus' dood en verrijzenis wordt in de brief aan de Hebreeën voorgesteld als een gebedsverhoring. "In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God, die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid is Hij verhoord" (Heb 5,7). Aan het begin van de heilsgeschiedenis een gebedsverhoring: "Ik heb het schreien van mijn volk in Egypte gehoord. Ik ken zijn lijden. En aan het einde, het blijvende einde van de heilsgeschiedenis: Hij werd om zijn vroomheid verhoord." Laten wij ons in onze nood en met onze tekorten toevertrouwen aan de Heer, die, voor ons geofferd, voor ons ten beste spreekt.
Belijden wij onze schuld om deze heilige geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.
Als ge Mij zoudt kennen,
zoudt ge ook mijn Vader kennen.
Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem.
Hierop zei Filippus:
Heer, toon ons de Vader, dat is ons genoeg.
En Jezus weer:
Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus?
Wie Mij ziet, ziet de Vader.
Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader.
Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?
De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf,
maar het is de Vader, die, blijvend in Mij, zijn werk verricht.
Gelooft Mij:
Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij.
Of gelooft het anders omwille van de werken.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wie in Mij gelooft
zal ook zelf de werken doen die Ik doe.
Ja, grotere dan die zal hij doen,
omdat Ik naar de Vader ga.
En wat gij ook zult vragen in mijn Naam,
Ik zal het doen,
opdat de Vader moge verheerlijkt worden in de Zoon.
Als ge Mij iets wilt vragen in mijn Naam
zal Ik het doen.
Homilie
Wie Mij ziet, ziet de Vader." Lijken Jezus en de Vader dan zo op elkaar dat als je de één ziet, je ook de ander ziet? Lijken ze als twee druppels water op elkaar? Zijn ze dan ook als het ware inwisselbaar, dat het geen verschil maakt of je nu de één voor je hebt of de ander? Maakt het dus niet uit? Zou de Vader, bij wijze van spreken, evengoed mens kunnen worden als de Zoon?
Nee, het verschil tussen Vader en Zoon is groot. En dit verschil zit hem in hun identiteit, in wat hun diepere wezen uitmaakt, wat hun 'Ik' uitmaakt. Zoals dat ook het geval is bij mensen die toevallig als twee druppels water op elkaar lijken. Eeneiige tweelingen. Maar hun 'ik' is onuitwisselbaar. Ze zouden beledigd zijn, als je zou zeggen: of ik nu met jou te maken heb, of met die ander, dat maakt niets uit. De afstand tussen de 'ikken', ook de 'ikken' van twee menselijke personen, is groot, zo groot als de afstand tussen de hemel en de aarde, want ze zijn allebei een eigen geheim van God. Hun 'ik' komt uit God, uit de hemel.
Het 'Ik' van Jezus en het 'Ik' van de Vader zijn zo verschillend. De afstand tussen beiden is zo groot, dat er geen grotere afstand tussen personen denkbaar is, want de Vader geeft het leven en de Zoon ontvangt het leven. Daar ligt het verschil en daar ligt ook de overeenkomst. Er is geen groter verschil dan tussen 'geven' en 'ontvangen'. Het leven geven en het leven ontvangen. Vader-zijn of Zoon-zijn. Toch ligt daar ook de overeenkomst, want het is precies hetzelfde leven, het is dezelfde liefde, dezelfde Geest. Zo weerspiegelt de Zoon zijn Vader. Zoals een kind zijn ouders weerspiegelt. Wanneer je een blij, spontaan, gevoelig, open kind ontmoet, dan denk je onwillekeurig: wat moet die goede ouders hebben. Zoals de stadgenoten van Jezus zeiden toen ze Hem hoorden spreken en Hem wonderwerken zagen verrichten: "Waar heeft Hij die wijsheid vandaan?" (Mt 13,54). Het komt ergens van God, moeten ze gedacht hebben. Ze moesten aan God denken, ze moesten aan zijn Vader denken. Dat is een Godservaring. Maar als dat kind nu even sereen blijft in ontberingen, armoede, honger, of wanneer het hard moet werken, zoals miljoenen kinderen op onze wereld slavenarbeid moeten verrichten van de vroege morgen tot de late avond zonder enige ontspanning in afschuwelijke omstandigheden, als dat kind in die omstandigheden toch nog open, blij, fris en vriendelijk blijft, dan vraag je je af: waar leeft dat kind van? Waar heeft dat kind dat vandaan? Maar wordt zo'n kind dan ook nog uitgelachen, door andere kinderen geslagen, uitgejouwd, wreed mishandeld en blijft het dan nog hetzelfde lieve, blije kind dat zich niet laat leiden door wraakgevoelens of door gevoelens van zelfmedelijden, dan dringt zich onweerstaanbaar de vraag op naar de ouders van dat kind, wat moet die een lieve ouders hebben!
Wie Mij ziet, wie Mij op dit moment ziet, zegt Jezus, nu Ik aan de vooravond sta van mijn lijden en Ik zo gerust en vredig en blij ben, ziet de Vader. Als je Mij nu ziet, ben je rakelings nabij aan mijn Vader. Zoals de apostelen wiens feest we vandaag vieren; we vieren hun lijden, sterven en verrijzen. Ook in hen is Jezus rakelings nabij aan de Vader. Daar haalt Hij die vrede en die vreugde vandaan.
Bidden en eucharistie vieren, dat is: zo met Jezus omgaan dat we voeling krijgen met de kracht en de liefde waaruit Hij leeft. Dat we bij de heilige communie zelf in die kracht en in die liefde worden opgenomen en daarmee worden verenigd.