Hemelvaart van de Heer
Eerste lezing: Handelingen 1,1-11 [B95]; antwoordpsalm: Psalm 47,2-3.6-7.8-9 [B95];
Tweede lezing: Efeziërs 4,1-13 [B96b]; vers voor het evangelie: Mt 28,19.20 [B97];
Evangelie Marcus 16,15-20 [B97]
Inleiding
'Viri Galilaei.' 'Mannen van Galilea, wat staat ge verbaasd naar de hemel te kijken?' Jullie gedragen je als mensen die afscheid nemen. Nog een laatste groet, een omhelzing, en weg gaat Hij. Jezus verlaat ze, de afstand wordt groter en groter, Hij laat ze achter, Hij laat ze alleen, Hij laat ze in de steek en ze zouden Hem wel willen terugkijken. Zo staan ze naar de hemel te kijken. Maar de engelen bedoelen hiermee te zeggen: Hij gaat niet weg, Hij gaat naar de Vader en de Vader is door Jezus juist dichterbij gekomen. "Het is goed voor u dat Ik heenga, want als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen" (Joh 16,7). Als Ik wegga met mijn lichamelijke tegenwoordigheid, dán kan de Helper komen. En dat is Hijzelf in zijn geestelijke tegenwoordigheid, in de tegenwoordigheid van de heilige Geest. Jezus gaat wel weg van ons op de golflengte van het lichaam, van het vlees, maar Hij presenteert Zich nu met Hemelvaart (met Pinksteren wordt dat nog eens apart en extra gevierd) op de golflengte van de heilige Geest.
Jezus verlaat ons dus niet, Hij komt ons juist dichterbij. Hij stijgt op, zoals Hij zelf zegt tot Maria Magdalena, naar zijn Vader. "Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader (Joh 20,17). Jezus is toch de weg naar de Vader: Wie Mij ziet, ziet de Vader" (Joh 14,9), en omdat Jezus de toegang heeft vrijgemaakt naar de Vader, daardoor is zijn weg naar de Vader een dichterbij komen van de Vader bij ons. Eens zal dat ook in de geschiedenis zijn beslag krijgen; dan wordt het voor iedereen zichtbaar dat wij zijn opgenomen in God, want dan zal Jezus, "die van u is weggenomen naar de hemel, op dezelfde wijze wederkeren als gij Hem naar de hemel hebt zien gaan", om ook ons in God op te nemen. En eenmaal in God opgenomen, zijn wij ook elkaar nabij.
Dat we voor deze dimensie van de werkelijkheid geen oog hebben, geen gevoel hebben, dat we leven alsof de wereld alles is en we de hemel niet nodig hebben, dat is eigenlijk onze zonde.
Belijden wij dan eerst onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Toen Jezus aan de elf verscheen,
sprak Hij tot hen:
Gaat uit over de hele wereld
en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.
Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden,
maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.
En deze tekenen zullen de gelovigen vergezellen:
in mijn Naam zullen ze duivels uitdrijven,
nieuwe talen spreken,
slangen opnemen;
zelfs als ze dodelijk vergif drinken,
zal het hun geen kwaad doen;
en als ze aan zieken de handen opleggen,
zullen dezen genezen zijn.
Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had,
werd Hij ten hemel opgenomen
en zit aan de rechterhand van God.
Maar zij trokken uit om overal te prediken
en de Heer werkte met hen mee
en schonk kracht aan hun woord
door de tekenen die het vergezelden.
Homilie
Mannen van Galilea, wat staat ge naar de naar de hemel te kijken?" Het lijkt of de engelen willen zeggen: Jullie doen net alsof Jezus weggaat en jullie in de steek laat. Maar zo is het niet. Hemelvaart lijkt een finale, maar in werkelijkheid is het een ouverture; nu kan Hij pas goed beginnen. De Hemelvaart van Jezus lijkt een beweging van de aarde weg, maar in feite is het een beweging naar de aarde toe, naar de geschiedenis toe. "God zette Hem toch aan zijn rechterhand in de hemel", en de rechterhand van God is zijn machtige hand, zijn reddende hand, die Hij uitsteekt naar héél de gevallen mensheid.
"Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping", zegt Jezus in het evangelie tegen zijn leerlingen. Deze Koning heeft een wereldrijk, zijn rijk omvat heel de wereld, heel de wereld behoort Hem toe. De globalisatie is in de mensheidgeschiedenis een verschijnsel van de laatste jaren: wereldeconomie, wereldburgers, wereldoorlog, werelddierendag, een wereld omvattend communicatiesysteem; de hele wereld is als een dorp waar iedereen iedereen kent. Voor Jezus was dat van meet af aan zo. Hij is de Koning van de wereld. De wereld is zijn werkterrein, zijn machtsgebied, want heel de mensheid verkeert in nood, en daarvoor heeft God Hem tot Koning gemaakt, om al die mensen te redden.
Hoe meer wereldomspannend de verbindingslijnen worden, des te onpersoonlijker de contacten, zakelijk, harteloos, koud. Maar met Koning Jezus is het precies andersom. Hij wil met iedere mens een persoonlijk contact. Zijn regime, zijn heerschappij, is niet gebaseerd op macht, maar op liefde. Daarom moeten wij geloven en vertrouwen. "Wie gelooft en gedoopt is zal gered worden." Om gered te kunnen worden, om zijn reddende macht te kunnen ervaren, moet je eerst geloven, geloven in zijn liefde. En liefde is altijd persoonlijk. Je moet dus geloven in zijn liefde voor jóu, dat God van jóu houdt. Dat houdt in dat er geen eigenbelang meespeelt in zijn machtsuitoefening, maar alleen zelveloze liefde. Het is liefde tot de dood, nee, het is liefde die sterker is dan de dood! Daardoor ontstaat er een liefdesgemeenschap, die zich over de hele wereld verspreidt als een gist; die heel de mensheid doordringt van verrijzeniskracht, van de kracht van het nieuwe leven, van het eeuwige leven, van het leven van God.
Dat is dezelfde kracht waarmee Jezus van de doden werd opgewekt. Het is "dezelfde sterkte en kracht, die Hij heeft betoond in Christus, hoorde u Paulus in de tweede lezing zeggen, toen Hij Hem opwekte uit de dood en zette aan zijn rechterhand in de hemelen, hoog boven alle heerschappijen, machten, krachten en hoogheden", niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige tijd. Doordat Paulus dit zegt, lijkt Jezus ineens weer aan ons te ontglippen, zo hoog, zo krachtig, zo boven alles verheven, ver weg. Maar de bedoeling is net andersom. Zijn kracht en zijn oppermachtigheid staat ons juist ter beschikking. Die is ten behoeve van ons, in onze strijd tegen de machten die ons te machtig zijn, die we niet aankunnen. Dat zegt Jezus dan ook: "Deze tekenen zullen de gelovigen vergezellen. Tekenen waarvan? Tekenen dat God ons met zijn kracht ter zijde staat. In mijn Naam zullen ze duivels uitdrijven, nieuwe talen spreken, slangen opnemen; zelfs als ze dodelijk vergif drinken zal het hun geen kwaad doen; en als ze aan zieken de handen opleggen zullen dezen genezen zijn."
God staat met zijn kracht zijn dienaren ter zijde. In heel bijzondere situaties, maar ook in het gewone doen en laten; bij alles wat ze zeggen, bij alles wat ze doen en ondernemen staat God aan hun zijde. Zo eindigt het evangelie dan ook, nadat we eerst gehoord hebben wat Jezus zegt, zijn de laatste woorden: "Maar zij, - en hier volgt een ervaringsbericht, een waarneming, een constatering van wat er gebeurde - zij trokken uit om overal te prediken en de Heer werkte met hen mee en schonk kracht aan hun woord door de tekenen die het vergezelden."
Hij die zit aan Gods rechterhand is voortdurend werkzaam en werkdadig met hen bezig. De hemel is niet ver weg, hij is dichterbij dan ooit. Iedere keer als u door het woord kracht krijgt, als u iets kunt wat u uit uzelf niet kunt: uzelf overwinnen, uzelf loslaten, uw natuur overwinnen, dan ondervindt u de werkzaamheid en werkdadigheid van onze God en Heer in de hemel. Dan ervaart u de nabijheid van de hemel. En in werkelijkheid gebeurt er nog veel meer. Hetgeen u ervaart is slechts een teken van iets dat véél verder uitgaat boven datgene wat u ondervindt. De hemel, het einde der tijden, God zelf. Hij is hier en nu werkelijk in uw leven tegenwoordig.
Dat is ook wat er in de eucharistie gebeurt. Nadat wij eerst zijn Woord, zijn aanwezigheid, en ook zijn kracht in het Woord hebben ervaren, mogen wij nu zijn zelfgave ontvangen. Kijk hoe dichtbij Hij is gekomen, hoe de gewone dingen van onze schepping, het brood en de wijn, voertuigen worden van Gods zelfgave, van zijn liefde voor ons.