Vrijdag in de zesde week van Pasen
               Heilige Rita van Cassia, kloosterlinge


Eerste lezing: Handelingen 18,9-18 [I 230];
Evangelie: Johannes 16,20-23a [I 231]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes


In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Gij zult wenen en weeklagen,
terwijl de wereld zich zal verheugen.
Gij zult bedroefd zijn,
maar uw droefenis zal in vreugde verkeren.
Wanneer de vrouw gaat baren is zij bedroefd
omdat haar uur gekomen is;
maar wanneer zij het kindje ter wereld heeft gebracht
denkt ze niet meer aan de pijn,
van blijdschap dat er een mens ter wereld is gekomen.
Zo zijt ook gij nu wel bedroefd,
maar wanneer Ik u zal weerzien zal uw hart zich verheugen
en uw vreugde zal niemand u kunnen ontnemen.
Op die dag zult ge Mij over niets ondervragen.”

Homilie  

“Paulus bleef daar nog vele dagen en nam toen afscheid van de broeders,"
hoorden we in de eerste lezing. Wanneer de vrouw gaat baren, is dat voor het kind het eerste afscheid. En de dood is het laatste afscheid. Leven is voortdurend afscheid nemen, en niets is moeilijker te leren. Aan de moeite die het ons kost om van iemand afscheid te nemen, kunnen we aflezen hoe nauw we met hem of haar verbonden waren. Het verdriet is soms de graadmeter van de liefde. Maar we kunnen voor de kunst van het afscheid nemen bij Jezus in de leer.

In dit evangelie, genomen uit de afscheidsrede, vergelijkt Jezus zijn laatste afscheid bij de dood met het eerste afscheid bij de geboorte. Daar tussenin moet een mens leren afscheid te nemen. Wat hem onbewust wordt aangedaan, wanneer hij als kind wordt losgemaakt van zijn moeder, dat moet hij gedurende zijn leven leren bewust te doen. Elke avond bijvoorbeeld kun je afscheid nemen van de dag, wat soms moeilijk valt. Het is niet voor niets dat er in de completen om gebeden wordt dat je op een goede manier afscheid neemt. Mensen zoeken 's avonds iemand op of nodigen een ander bij zich uit om dat afstand nemen en dat afscheid nemen voor zich uit te schuiven.
Er zijn in het leven ook ogenblikken waarop het afscheid nemen meer dwingend aan ons wordt opgedrongen, bijvoorbeeld als het kleine kind uit de schoot van de moeder groeit of als kinderen het huis uitgaan. Het grotere kind groeit nu eenmaal uit de schoot van het gezin. Dat was ook bij Jezus het geval.

In het evangelie maken wij een moment mee dat wij die afstand tussen Jezus en zijn moeder kunnen meten. "Vrouw” zegt Hij op de bruiloft van Kana, wanneer zijn moeder Hem benadert met “ze hebben geen wijn meer.” “Vrouw, is dat soms uw zaak?…" Letterlijk staat er: Wat is er tussen u en Mij? (Joh 2,3-4). Afstand. Het opheffen van de relatie. Maar, zoals op het afscheid nemen van de dag bij de avond een nieuwe dag volgt, zo ontstond er ook na Jezus' afscheid van Maria een nieuwe relatie tussen Hem en haar. “Doet maar wat Hij u zeggen zal,” zegt Maria.

Een goed afscheid is meer dan afscheid alleen. Wij maken dat dezer dagen, de dagen van Hemelvaart elke keer bewust mee: Jezus gaat weg, Hij neemt afscheid, maar wat zegt Hij? "Ik ben met u alle dagen …" (Mt 28,20). Een nieuw leven. Hij neemt afscheid van de aarde, niet om er dan ook niet meer te zijn, maar om er zó te zijn dat Hij er voor iedereen is, op een geestelijke wijze. Dat wil niet zeggen op een immateriële manier, want de kerk is niet onstoffelijk. Zij heeft structuur, tekenen, brood, wijn. En in dat teken van brood en wijn wil Jezus werkelijk voor ons aanwezig zijn, als een vrucht van zijn sterven. Een nieuw leven, een nieuw leven voor ons, als de vrucht van zijn dood.