Eerste lezing: Handelingen 18,23-28 [I 232];
Evangelie: Johannes 16,23b-28 [I 233]
Inleiding
'God voer omhoog bij gejuich van bazuinen.' Maar zo ging het nu juist niet. Hij vertrok met stille trom, zou je kunnen zeggen. Doodstil! Gespannen nagestaard door een kleine groep getrouwen, maar verder voor heel de wereld onzichtbaar, onhoorbaar. Zoals wat wij hier nu doen onhoorbaar, niet waarneembaar is voor de wereld. Het leven dat Hij leidt, de overwinningen die Hij behaalt, zijn verborgen grootheden, mosterdzaadjes. Toch is het werkelijk en daarom hebben wij het ook met instemming en met geloof gezongen: 'God voer omhoog bij gejuich van bazuinen.' Het is het begin, een teken, hét veelbetekenende begin van de overwinning.
Maar het is een overwinning die allereerst een zelfoverwinning is. De overwinning van de wereld begint met de overwinning van jezelf en dat is de moeilijkste, de grootste, de hoogste overwinning. Dat wij daar niet echt naar streven, dat is eigenlijk onze zonde.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Voorwaar, voorwaar Ik zeg u:
wat gij de Vader ook zult vragen,
Hij zal het u geven in mijn Naam.
Tot nu toe hebt gij niets gevraagd in mijn Naam.
Vraagt en gij zult verkrijgen
opdat uw vreugde volkomen zij.
In beelden heb Ik hierover tot u gesproken;
er komt een uur dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken,
maar Mij onomwonden
tegenover u zal uiten omtrent de Vader.
Op die dag zult gij bidden in mijn Naam;
het is niet nodig te zeggen
dat Ik bij de Vader uw voorspreker zal zijn,
want de Vader zelf heeft u lief omdat gij Mij liefhebt
en omdat gij gelooft dat Ik van God ben uitgegaan.
Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen;
weer verlaat Ik de wereld en ga naar de Vader.
Homilie
In Éfeze ontmoetten de leerlingen een Jood, Apollos uit Alexandrië, "een welbespraakt man, die doorkneed was in de Schriften en onderricht had ontvangen in de weg des Heren." Hij gaf zelfs in bijzonderheden onderricht over alles wat Jezus betrof. Waar haalde hij dat vandaan? Hij kende alleen maar het doopsel van Johannes! Hij kende de Schriften, maar hij kende Jezus niet. Hij gaf onderricht over Jezus, maar hij kende Jezus niet. Via anderen, die Hem hadden leren kennen, die Hem in zijn aardse omwandeling hadden meegemaakt, had hij van Hem gehoord. Maar hoe kende hij Jezus dan, dat hij tot in bijzonderheden over Hem kon spreken?
Hier zien we dat kan gebeuren wat Jezus tot zijn leerlingen zegt: u hoeft niets te vragen. Het wordt u allemaal door de Vader zelf verkondigd. U hebt een verhouding van onmiddellijkheid tot de Vader en de Vader heeft een verhouding van onmiddellijkheid tot u. "De Vader zelf heeft u lief" (Joh 16,27).
Een verhouding van onmiddellijkheid. Dat is wat er tijdens het gebed gebeurt: 'dat men in een onmiddellijk contact de Schepper laat werken met het schepsel en het schepsel in onmiddellijk contact met zijn Schepper en Heer' (Geestelijke Ooefeningen 15).
Dat is wat er in het gebed gebeurt, tenminste in de diepste kern ervan. Er zijn nog wel allerlei andere dingen omheen, die wij met onze eigen inspanning moeten doen, bijvoorbeeld ons erop voorbereiden, ons verstand gebruiken, onze wil, onze gevoelens, ons voorstellingsvermogen, maar dat alles is zoveel als het kader, de ruimte waarbinnen het eigenlijke van het gebed, iets van Godswege, zich afspeelt.
In de eucharistie richten wij ons onmiddellijk tot de Vader, want daar zijn wij zozeer in het Lichaam van Christus opgenomen dat we Hem zíjn. Zoals Jezus als Zoon onmiddellijk tegenover de Vader staat, niemand en niets ertussen, zo staan ook wij, in de heilige eucharistie opgenomen in de Zoon, onmiddellijk tegenover de Vader en de Vader onmiddellijk tegenover ons. In Jezus en met Hem en door Hem zijn wij kind van de Vader. Dat gebeurt binnen de ruimte van de Kerk. Alleen aan de Kerk is de volle waarheid gegeven.
"Nadat Priscilla en Aquila van hem (Apollos) gehoord hadden, namen ze hem mee en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit." Dat is de volle waarheid! Wanneer wij in die volle waarheid leven, kan ons niets meer overkomen. Dan is onze vreugde volkomen! Dan hoeven wij niet meer in beelden toegesproken te worden, beelden van het mosterdzaadje, het licht, de herder en zijn schapen; nee, onmiddellijk: "onomwonden zal Ik Mij tegenover u uiten omtrent de Vader."
Kardinaal van Rossum, die belast was met het onderzoek van de geschriften en brieven van Peerke Donders, getuigt van hem: 'Alles ademt de geest van een heilige, innig met God verenigde, God innig dankbare ziel.' God is er tastbaar aanwezig. Een ander zegt over diezelfde heilige: 'Niets kon hem de rust en de kalmte doen verliezen, want in alles wat hem overkwam, beschouwde en aanbad hij de heilige wil van God. Ik zag hem staan op een hoogte waar hij voor alle onrust en verwarring veilig was. Zijn ziel was gelijk aan een mooie hemel die winden en stormen niet kunnen storen.' Zoals de hemel van vandaag. Er zouden wel wolkenvelden voorbijtrekken, maar daarboven zie je schapenwolken zoals dat heet. Die bewegen niet, die kunnen door de roerige luchtlagen eronder niet in beroering gebracht worden.
Zo kan het ook zijn in de ziel van een christen. Er gebeurt van alles, maar de diepe vrede kan hem niet ontnomen worden. Niet omdat hij gelijkmoedig van aard is, evenwichtig van karakter, maar omdat hij deel neemt aan de vrede van Christus. Zoals Jezus daar staat voor zijn leerlingen. Hij gaat heen, Hij gaat dood. Het hart van zijn leerlingen zal bedroefd zijn, maar Hij kómt terug. Hij leeft en is dan bij hen, en ook bij ons, dieper en krachtiger en meer levend dan vóór zijn dood. Juist dóór zijn dood, die wij nu zullen gaan vieren, is Hij geworden die Hij is: de Heer over levenden en doden. Dat betekent: de dood is geen scheidsmuur meer. De wanden van ons bestaan, waarin wij waren gevangen, heeft Jezus uitgebroken. Wij zijn opgenomen in zijn leven, zijn vrede.
Dat is wat er straks gaat gebeuren opdat, waar het in ons nog niet gebeurd is, het alsnog zal gaan gebeuren: dat wij met héél ons wezen worden opgenomen in zijn vrede.