Eerste lezing: Jeremia 17,5-8
Tweede lezing: 1 Korintiërs 15,12.16-20
Evangelie: Lucas 6,17.20-26
Inleiding
Op zondag, de eerste dag van de week, vieren wij met heel de christenheid en al zovele eeuwen lang, de verrijzenis van onze Heer Jezus Christus, die nu als de verrezen Heer midden onder ons is, hier tegenwoordig. U hoort mijn stem, maar u kunt ook zíjn stem horen in uw binnenste, in uw hart.
'God, laat mij bij U bescherming vinden, wees mij een veilige toevlucht, want Gij zijt mijn steun en sterkte', zongen we in het intredelied. We zoeken bescherming bij God in de hemel, maar God is op de aarde neergedaald en niet alleen in de Kerk, maar in ieder van ons persoonlijk, in ieders hart, als wij tenminste trouw blijven aan de genade van ons doopsel. Trouw blijven aan ons toebehoren aan Hem te midden van de gebeurlijkheden van iedere dag. Dat is wat wij aan het begin van deze viering zo graag willen doen: eerst ons de genade van ons doopsel te binnen brengen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Samen met de apostelen daalde Jezus van de berg af.
Hij bleef staan op een vlak terrein.
Daar bevond zich een talrijke groep van zijn leerlingen
en een grote volksmenigte uit heel het Joodse land,
uit Jeruzalem en uit het kustland Tyrus en Sidon.
Hij sloeg nu zijn ogen op,
keek zijn leerlingen aan en sprak:
Zalig gij die arm zijt,
want aan u behoort het Rijk Gods.
Zalig die nu honger lijdt,
want gij zult verzadigd worden.
Zalig zijt die nu weent,
want gij zult lachen.
Zalig zijt gij,
wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten,
wanneer zij u uitstoten,
u beschimpen
en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks.
Als die dag komt, springt dan op van blijdschap,
want groot is uw loon in de hemel.
Op dezelfde manier behandelden hun voorvaderen de profeten.
Maar wee u rijken,
want wat u vertroost hebt ge al ontvangen.
Wee u, die nu verzadigd zijt,
want ge zult honger lijden.
Wee u, die nu lacht,
want ge zult klagen en wenen.
Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken,
want hun voorvaderen deden hetzelfde met de valse profeten.
Homilie
In die tijd daalde Jezus samen met de twaalf van de berg af." Dit is de berg waar Jezus naartoe was gegaan om er de nacht door te brengen in gebed tot God. Het is de berg "waar Hij zijn leerlingen bij het aanbreken van de dag naar Zich omhoog geroepen heeft om er twaalf uit te kiezen, aan wie Hij tevens de naam van apostel gaf" (Lc 6,13). Van die berg van de Godsontmoeting, daalt Hij af. Jezus, met God de Vader verenigd, daalt af met de Kerk die Hij Zich geschapen heeft in de roeping van de leerlingen, aan wie Hij de naam apostel gaf. Zo daalt God af naar de mensen. De hemel daalt neer op de aarde.
Boven op de berg deed Jezus zoiets als wat wij doen op zondag. We gaan naar de kerk, dat is een plaats buiten de samenleving, om daar van de andere kant van de wereld de buitenwereldlijke liefde van God te ontvangen, als een begin van de nieuwe week. Zo heeft Jezus met heel het volk van God een nieuw begin gemaakt vanuit God, en zo had Jezus dat ook gedaan bij het begin van zijn openbaar leven: "Toen Jezus na zijn doop in gebed was, geschiedde het dat de hemel openging" (Lc 3,21). Maar ook bij de keuze van de apostelen, en hier bij de zaligsprekingen, en straks weer, wanneer Hij zijn Messiasgeheim openbaart, is Hij eerst in gebed. Wanneer Hij ons het Onze Vader leert, doet Hij dat vanuit het gebed. Wanneer Hij boven op de berg van de gedaanteverandering is, is Hij daar om te bidden. Het is een gebedservaring. En als Hij aan het einde van zijn leven Zich opmaakt om te worden overgeleverd, om zijn leven te geven, gaat Hij eerst bidden in de Hof van Olijven.
Eerst bidden, eerst God. We beginnen in de hemel, dat lijkt heel ver weg, maar het is heel dichtbij, want die buitenwereldlijke God is ook de Schepper van de wereld. Daarom brengt die omweg over God ons dichter bij de mensen; het brengt ons dichter bij elkaar dan wanneer wij rechtstreeks, onmiddellijk naar de ander zouden gaan, want tussen jezelf en de ander daar is God. God is er eerder.
God is dichter bij ons dan wij bij elkaar zijn. 'God is dichter bij ons,' zegt Augustinus, 'dan wij bij onszelf zijn.' Dat is de reden waarom we bij God beginnen. De eerste dag van de week beginnen we met de zondagse eucharistie. We beginnen met Jezus in gebed te gaan, met naar zijn woord te luisteren. Maar zo beginnen we ook de dag nadat we zijn opgestaan. Het eerste wat we doen is bidden, het ochtendgebed. Dat geldt ook voor het slapen gaan. We leggen ons niet zomaar te rusten, maar bidden eerst ons avondgebed. En als we gaan eten beginnen we bij het begin, door te bidden, we ontvangen het voedsel uit zijn hand, en de liefde waarmee Hij het voedsel geeft, ontvangen we uit zijn Hart.
Dit zijn nog maar bepaalde aanzetten voor wat eigenlijk het hele leven moet gebeuren. Jezus leerde zijn leerlingen dat zij onophoudelijk moeten bidden, dat ze steeds weer bij God moeten beginnen. Als je het moeilijk vindt om met iemand om te gaan, kun je natuurlijk proberen je eigen krachten in te zetten, maar je kunt ook beginnen met voor die persoon te bidden. Begin ermee je de liefde van God voor die persoon te binnen te brengen, bewust te maken, om dan met de kracht van Gods liefde naar die ander te gaan. Zoals een kleine boot zich als het ware laat meezuigen in het zog van een grote, zo kunnen wij onze kleine zwakke liefde laten meezuigen door de grote kracht van Gods liefde.
Je kunt dit ook toepassen als je iets moet doen. Je kunt er je gedachten over maken hoe je het moet aanpakken, hoe je het zult aanleggen en met welke middelen, maar beter is het te bidden, om je te binnen te brengen wat God doet voor de wereld. Hoe Hij Zich heeft ingezet en blijft inzetten. Als gelovige mensen een vergadering beleggen, beginnen ze die vergadering als het goed is met gebed, want als je dat niet doet, als je alleen op de menselijke kracht vertrouwt, zo van: we zijn ook de domste niet; we hebben goede argumenten, neem ons standpunt maar aan, dan zullen die standpunten zich tegenover elkaar gaan zetten. Maar heb je eerst gebeden, je hebt je verenigd met God, of liever gezegd: je hebt God Zich laten verenigen met jou, dan worden de standpunten die elkaar tegengesteld zijn, of verschillend van elkaar zijn, juist gebruikt om elkaar te verrijken. Het goede van de een wordt dan opgeteld bij het goede van de ander.
"Samen met de apostelen daalde Jezus van de berg af en bleef staan op een vlak terrein. Daar bevond zich een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte uit heel het Joodse land, uit Jeruzalem, uit het kustland Tyrus en Sidon. Joden zowel als heidenen, niemand uitgezonderd. Hij sloeg zijn ogen op, keek zijn leerlingen aan." Blijkbaar liep Jezus met neergeslagen ogen. Hij keek niet rond om de mensen te zien, of dat de mensen Hem wel zouden zien, de verhoudingen binnen deze wereld in acht nemend en daarop reagerend. Hij leefde niet vanbuiten, Hij leefde vanbinnen. Als je iemand ziet met gebogen hoofd en neergeslagen blik, zoals u (de zusters van priorij Nazareth) gewend bent volgens de Regel, is dat omdat hij vanbinnen leeft. Jezus leeft vanbinnen. Vanbinnen? Ja, vanuit zijn hart, waar de heilige Geest in volheid is neergedaald bij het doopsel, de Geest van volmaakte liefdevolle vereniging met de Vader, de Geest van kinderlijk vertrouwen op de Vader. Wat kunnen we dus in zijn blik lezen als Hij zijn ogen opslaat? Díe liefde. De liefde van de Vader waarvan Jezus het instrument is. Hij, de eniggeboren Zoon. "Je bent mijn Zoon, mijn veelgeliefde,
" (Mt 3,17; vgl. Mc 1,11; Lc 3,22).
En als wij voelen dat wij zijn liefde niet waardig zijn, als wij zijn liefde ontrouw geworden zijn of als wij onze eerste liefde hebben verloren, kunnen wij dan nog op zijn liefde rekenen? Ja, ook dan, want "toen Hij bij zijn landing de grote menigte zag kreeg Hij diep medelijden met hen
" (Mt 14,14; vgl. Mc 6,34). Hij werd bewogen door barmhartige liefde. Hij kijkt ons altijd aan met liefde, want zijn trouw is groter dan onze ontrouw. Zijn blik is ook op mij gericht, zoals de blik waarmee Hij de rijke man aanzag, die zo gehecht was, zo vast zat aan zichzelf en zijn goederen. Jezus probeert hem daaruit los te maken. "Hij keek hem liefdevol aan," staat er (Mc 10,21). Je zag hoe zijn blik warm werd van genegenheid.
Als we ons nu eens met al onze rijkdommen zó laten aanzien en zijn liefde, zijn barmhartige liefde diep in ons binnenste laten doordringen, ons hart daarmee laten vullen, ons hart vol laten lopen met zijn liefde, zijn liefde tot in de uiterste schuilhoeken laten doordringen, dan zult u zelf merken dat er obstakels zijn waar wij vasthouden aan onszelf, aan onze eigenliefde. Dat er dingen zijn de we niet kunnen missen, die we niet voor Jezus willen opgeven. Gods liefde en onze eigenliefde raken met elkaar in strijd.
Zo kunt u ook begrijpen wat Jezus bedoelt als Hij zegt: "Zalig gij die arm zijt," die alle obstakels voor mijn liefde opzij gezet hebt door Mij in vrijwillige armoede te volgen, door vrijwillig te aanvaarden wat u onvrijwillig werd aangedaan, zoals een teleurstelling, tegenslag, het opgeven van een relatie, het minder worden van je gezondheid, het afnemen van je krachten. Zalig ben je als je die vormen van armoede beaamt, in het vertrouwen dat Hij met zijn liefde, met zijn liefdeskracht zal aanvullen wat je aan eigen kracht ontbreekt. Zalig ben je als je je vervullen mag van Gods liefde in plaats van zoveel kleinere liefdes die toch geen stand houden. Dát is ons heilig geloof, een geloof in de nooit aflatende liefde van onze God en Heer.