Zesde zondag van Pasen,
             jaar C
Eerste lezing: Handelingen 15,1-2.22-29
Tweede lezing: Apocalyps 21,10-14.22-23
Evangelie: Johannes 14,23-29


Inleiding  

'Verkondigt het tot aan het uiteinde van de aarde.' Als je tot het uiteinde van de aarde wilt gaan, wat kom je dan onderweg niet allemaal voor grenzen tegen. De ene grens na de ander moet je overschrijden wil je tot het uiteinde komen. Zo is het ook met God, wanneer Hij met zijn heil overal wil komen. Hij moet grenzen overschrijden en vandaag is dat de grens tussen Joden en heidenen. Eigenlijk zouden Joden-christenen en heiden-christenen in aparte kerken moeten zitten, zo groot was de onenigheid tussen hen. Ze hadden geleerd elkaar te mijden, te haten. Maar Christus' vrede over de dood, over de laatste grens heen, is sterker dan menselijke vredeloosheid. Dat is dan ook de inzet van iedere eucharistie. Eigenlijk zouden we, om het maar eens in dezelfde categorieën te vangen, moeten zeggen: hier zouden we alleen maar met vrienden of met gelijkgezinden moeten zijn, met familieleden. Maar we komen van allerlei kanten, en zijn hier met allerlei soorten banden en bindingen bijeen. Toch spreken we van broeders en zusters van elkaar en geven we elkaar broederlijk en zusterlijk de vredesgroet.
Dat is wat het heilig doopsel met ons doet. We waren kinderen van onze ouders, opgesloten in die familie, in dat gezin, met de begrenzingen die dat met zich meebracht en tegelijkertijd ook nog de begrenzingen van de cultuur en van de tijd, en we worden door het doopsel opgenomen in een grenzeloze familie, de 'Familia Dei', waarvan God de Vader is en alle mensen, hoe gescheiden en hoe begrensd ze ook mogen zijn, broeders en zusters van elkaar zijn.
Het ritueel van de waterwijding en de besprenkeling met dat gewijde water, dat willen we nu aan ons laten verrichten met diezelfde diepere inhoud, dat wij daardoor broeders en zusters van elkaar geworden zijn.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Als iemand Mij lief heeft,
zal hij mijn woord onderhouden;
mijn Vader zal hem liefhebben
en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen.
Wie Mij niet liefheeft, onderhoudt mijn woorden niet;
het woord dat gij hoort, is niet van Mij,
maar van de Vader die Mij gezonden heeft.
Dit zeg Ik u, terwijl Ik nog bij u ben,
maar de Helper, de heilige Geest,
die de Vader in mijn Naam zal zenden,
Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen
wat Ik u gezegd heb.
Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u.
Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u.
Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden.
Gij hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen,
maar Ik keer tot u terug.
Als gij Mij zoudt liefhebben,
zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga,
want de Vader is groter dan Ik.
Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u,
opdat gij, wanneer het gebeurt, zult geloven.”

Homilie  

“Vrede laat Ik u na."
Een erfenis die je zo maar in handen valt, waar je niets voor hoeft te doen. Er was geen vrede tussen Joden en heidenen. "Onenigheid” was er, hoorde u zo-even zeggen, “verwarring en verontrusting”, ja, zelfs “een felle woordenwisseling." Paulus en Barnabas aan de ene kant, en aan de andere kant mensen uit Judea, het Jodenland, die leerden dat heidenen alleen maar gered konden worden als ze de wet van Mozes zouden onderhouden. Geen sprake van dat er ooit vrede zou kunnen zijn tussen Joden en heidenen.
Toch geschiedde dat wonder na het eerste concilie in Jeruzalem, want toen Judas en Silas in Antiochië de besluiten van het concilie hadden meegedeeld en nader uitgelegd aan de broeders in Antiochië, namen zij in vrede afscheid van de broeders en keerden terug naar hen die hen gezonden hadden. Vrede geworden onvrede.

Het kan moeilijk zijn om de vrede te bewaren, ook in een gemeenschap van gelijkgezinden, in een familiegemeenschap, die verbonden zijn door de banden van het bloed. Het is moeilijk om de vrede te bewaren tussen de zusters en broeders van dezelfde gemeenschap, tussen vrijwilligers in dezelfde parochie, tussen gewone gezinsleden. U kent vast wel hoe in het Oude Verbond de kinderen van Jakob het moeilijk hadden met één van hen, de jongste, Jozef. Ze konden de jongste van de familie gewoon niet uitstaan. Hij werd door zijn vader een beetje voorgetrokken, want zijn vader had hem op zijn oude dag nog gekregen. Ze waren jaloers. Het kwam zover, dat ze het niet meer voor elkaar kregen om nog gewoon 'sjaloom', 'vrede', te zeggen: goede dag. Dat woord kregen ze gewoon niet meer over hun lippen (Gn 37). Iemand goede dag zeggen, iemand een goede reis wensen, dat is toch wel het minste wat je voor elkaar overhebt. Dat kunnen we nog wel voor elkaar krijgen, ook bij iemand met wie we het moeilijk hebben.

In elke eucharistie wordt ons opnieuw gezegd wat Jezus zijn leerlingen heeft nagelaten: "Mijn vrede geef Ik u." En ook elkaar wensen wij Jezus' vrede met een omhelzing of een handdruk. Maar is dat wel eerlijk? Soms sta je naast iemand met wie je net een woordenwisseling hebt gehad, zoals Paulus en Barnabas met de mensen uit Judea. Of je staat naast iemand met wie je helemaal niets hebt, geen antipathie, geen sympathie, gewoon niets. Is dat geven van de vrede, dat uitsteken van de hand, dat omhelzen dan eigenlijk geen huichelarij? Het is eerder een oneerlijk vertoon van gevoelens die je helemaal niet hebt. Of je staat naast iemand met wie je het opperbest kunt vinden, en is dat vredesgebaar en die vredeswens dan eigenlijk niet een soort religieus maken van wat gewoon vriendschap heet? Kortom, wat doe je nu in dat ritueel met je gewone menselijke gevoelens, positief of negatief, of gewoon neutraal? Jezus geeft een antwoord op die vraag, door aan zijn woorden: "Vrede laat Ik u onmiddellijk toe te voegen: “Mijn vrede geef Ik u.” Jezus is er Zich van bewust dat zíjn vrede een heel bepaald soort vrede is. “Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u", voegt Hij er nog eens aan toe. Wat is dat dan voor een soort vrede, de vrede van de wereld? De vrede van de wereld is een vrede na de oorlog. Het is vooral een vrede na de overwinning. De vrede van Christus echter is de vrede na de nederlaag, waarmee je menselijker wijze gezien juist géén vrede hebt, waarop eigenlijk een koude vrede zou moeten volgen, áls het al vrede is, of een koude oorlog.

Toen Jezus zijn laatste adem uitblies gaf Hij de Geest, de Geest van vrede, want bij de eerste verschijning aan zijn leerlingen zei Jezus: "Vrede zij u”, - zijn eerste woord in het nieuwe leven - “en Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde (Joh 20,20). In zijn handen en zijn zijde waren de tekenen van zijn nederlaag te zien. Nogmaals zei Jezus: “Vrede aan u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u” (Joh 20,21). De leerlingen en ook wij worden opgenomen in de vredeszending van Jezus aan de wereld. “Na deze woorden blies Hij over hen en zei: Ontvangt de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven" (Joh 20,22).
De vrede van Jezus geeft vergeving. Jezus' Geest is een Geest van zondevergeving. En de vredeswens die wij elkaar in de eucharistie geven, is een vredeswens vanaf het altaar waar Jezus zijn Lichaam en zijn Bloed opnieuw geeft tot vergeving van de zonde. Wat een onoverkomelijke hindernis is tussen God en de mens, de allergrootste zonde, de moord op de Zoon van God, dat is geen hindernis meer. Dat geeft vrede. En voor ons, die aan die moord mee gewerkt hebben, is dat geen hindernis meer voor de goede verstandhouding, voor de verzoening van God met ons. Daar komt vrede van, verzoening, vergiffenis in plaats van onvrede, straf, oordeel.

De leerlingen en wij worden in die vredeszending van Jezus opgenomen om ook anderen in die vrede te laten delen. Als je dus iets tegen een ander hebt, je hebt het moeilijk met iemand, je kunt iemand niet uitstaan, of je hebt geen vredige gevoelens naar die ander toe, je bent één en al onvrede tegenover hem of haar, dan kun je juist wél die vredesgroet geven, want deze vrede veronderstelt onvrede, onverzoenlijkheid of onenigheid. Maar deze onenigheid, deze zonde, deze onverzoenlijkheid is door Jezus gedragen en geduld, tot het einde toe doorstaan en zo geheeld en genezen. Wil je de vrede van Christus aan een ander kunnen geven, dan is het nodig dat je die zelf eerst ontvangt. Vóórdat de priester of de diaken zegt: 'Wenst elkaar de vrede', hoort u de priester eerst zeggen: 'De vrede des Heren zij altijd met u.' Dan pas volgt: 'Wenst elkaar de vrede.' Dat houdt in dat je eerst de vrede van Christus zelf moet ontvangen, dat je je eerst bewust moet maken dat Hij jóuw zonden op het kruis heeft gedragen. Dat betekent dat het Hem pijn heeft gedaan en dat Hij die pijn heeft doorstaan tot het einde toe. Eerst moet je beseffen wat die vrede met jou Hem heeft gekost, dan pas geef je zijn vrede, die christelijke vrede, die vrede geworden onvrede aan je medegelovigen.

In elke eucharistie worden we opnieuw met God verzoend. Wat ons van Hem deed afdwalen, wat ons van Hem heeft vervreemd, wordt in de eucharistie opnieuw verzoend. Als dat niet het geval was, als er niet opnieuw onenigheid en onvrede was gegroeid tussen God en ons, dan zouden wij maar één keer eucharistie hebben hoeven te vieren en verder nooit meer. Dan was het klaar geweest. Maar we vieren het elke keer opnieuw, omdat er steeds weer opnieuw onvrede en vervreemding groeit tussen ons en God. En zo is het ook in de onderlinge verhouding met elkaar. In het steeds weer in gemeenschap met elkaar omgaan, ontstaat er onvrede, vervreemding, onverzoenlijkheid. Dat mag dus elke keer opnieuw in de eucharistie verzoend worden; opgenomen in die vrede van Christus, in die eindeloos brede schoot van steeds weer zich vernieuwende vrede en verzoening.