Kersttijd
                7 januari 2010
                         of
maandag na de Openbaring van de Heer
                Heilige Raimundus van Penyafort, priester


Eerste lezing: 1 Johannes 3,22-4,6
Evangelie: Matteüs 4,12-17.23-25


Inleiding  

De heilige van vandaag, Raimundus van Penyafort, een Spanjaard uit Barcelona, trad in bij de Dominicanen, werd daar algemeen overste, en is bekend geworden door zijn zorg voor de zondaars. Het gebed zal straks dan ook zeggen dat hij 'op een bijzondere wijze was begaan met de zondaars.' Hij heeft een soort casusboek uitgegeven, een verzameling van gevallen: wat moet een biechtvader doen of zeggen wanneer dit of dat door een penitent wordt gezegd, wordt beleden. "Het licht schijnt in de duisternis." Dat is niet de duisternis van de natuur, maar van de zonde. Zonde brengt duisternis met zich mee. De zonde verduistert het verstand, verduistert het onderscheidingsvermogen. En in de Kerk is dat onderscheidingsvermogen ten behoeve van de zondaars aanwezig, bijvoorbeeld door zo'n heilige als vandaag.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen,
week Hij uit naar Galilea.
Met voorbijgaan echter van Nazareth vestigde
Hij Zich in Kafarnaüm, aan de oever van het meer,
in het grensgebied van Zebulon en Naftali,
opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja:
Land van Zebulon, land van Naftali,
liggend aan zee, Overjordanië:
Galilea van de heidenen!
Het volk dat in de duisternis zat,
heeft een groot licht aanschouwd;
en over hen die in het land van de schaduw van de dood
gezeten hebben, over hen is een licht opgegaan.
Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen:
“Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.”
Jezus trok rond door geheel Galilea,
terwijl Hij als leraar optrad in hun synagogen,
de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk
en alle ziekten en alle kwalen onder het volk genas.
Zijn faam ging uit over geheel Syrië
en men bracht allen tot Hem die er slecht aan toe waren,
die door velerlei ziekten en pijnen gekweld werden,
bezetenen, lijders aan vallende ziekte en lammen.
En Hij genas hen.
Grote volksmenigten uit Galilea en Dekapolis,
uit Jeruzalem, Judea en het Overjordaanse
sloten zich bij Hem aan.

Homilie  

We zijn in de tijd na het kerstfeest. De Kerk is er nog vol van. Op het eerste gezicht lijkt het evangelie daar maar weinig mee van doen te hebben. Maar in feite handelt het over precies hetzelfde. De feiten en gebeurtenissen uit het openbare leven van Jezus, zoveel jaren later, worden hier verhaald als een treffende illustratie van het kerstgeheim. "Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen …", gearresteerd; er zit meteen al geweld in de lucht, er hangt een sfeer van dreiging en er volgt een arrestatie door Herodes, een andere dan die van de kindermoord, maar niet een andere in wijze van doen. Onveiligheid, ook zo typerend voor het kerstevangelie. Die afwijzende, dreigende sfeer. "Er was voor hen geen plaats in de herberg" (Lc 2,7). En dat gebeurde in Judea, in Betlehem.

Maar ook hier hangt een sfeer van dreiging, want er staat: "Hij week uit naar Galilea." Jezus is een uitwijkeling. Dat is een Nederlands woord voor asielzoeker, vluchteling, banneling, iemand die zich in zijn eigen land niet veilig voelt, wegvlucht en ergens anders onderdak zoekt, een veilig heenkomen. Zoiets gebeurt er met Jezus. Van Judea naar Galilea. In Judea had Hij Zich laten dopen. Judea is het gebied van de Joden. Dat zegt het woord al: Judea, Jodenland. En Betlehem, de stad van David, waar Jezus geboren was, ligt ook in Judea. Hij was niet welkom in de streek van zijn geboorte. Daar was de grond te heet onder zijn voeten, Hij moest daar weg. Hij voelde Zich er niet veilig. Hij week uit naar Galilea. Wat is dat voor een land, Galilea? Dat is het land waarvan de profeet zegt: "Het land van de schaduw van de dood.” Dat is een beeldrijm op het gebeuren van Kerstmis: “Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van de schaduw van de dood gezeten hebben, over hen is een licht opgegaan" (naar Js 9,1).

Die tegenstelling tussen licht en duisternis beheerst het kerstevangelie en beheerst ook het begin van Jezus' openbaar optreden. Wat is dat voor een licht? Een verblindend licht? Het licht van het oordeel? Het licht van de bliksem? Zoals de bliksem uitschiet en oplicht van het ene einde van de hemel naar het andere? Nee, het is een zacht licht. Het is het licht van de barmhartigheid dat alle ziekten en kwalen onder het volk genas. "En men bracht allen tot Hem die er slecht aan toe waren, die door velerlei ziekten en pijnen gekweld werden, bezetenen, lijdenden aan vallende ziekte en lammen. En Hij genas hen."

Jezus zegt: "Het Rijk der hemelen is nabij." En in zijn handelen, in zijn doen, geeft Hij een teken van wat Hij zegt. Hij geneest de zieken als een teken van het binnenkomen van het Rijk der hemelen op aarde. Niet het oordeel, niet de gerechtigheid, niet de straf, niet de scheiding van de geesten is de maatstaf, maar de barmhartige liefde. Dat is wat we in het Woord ontvangen. Dat is wat we metterdaad ontvangen, zijn zelfgave: 'Dit is mijn Bloed tot vergeving van de zonde.'