Hoogfeest van het heilig Sacrament,
                   jaar A
Eerste lezing: Deuteronomium 8,2-3.14b-16a [A 110]; antwoordpsalm: Psalm 147b,12-12.14-15.19-20 [A 110];
Tweede lezing: 1 Korientiërs10,16-17 [A 111]; vers voor het evangelie: Johannes 6,51-52 [A 112]
Evangelie: Johannes 6,51-58 [A 112]


Inleiding  

Op Witte Donderdag vieren wij de instelling van de eucharistie en op Sacramentsdag vieren we het feest van dankbaarheid voor die instelling. 'Lauda, Sion', zingen we in de Sequentie. 'Laat het Sion van nu, de Kerk, God loven en danken.' Sacramentsdag toont ons hoe weldadig de weldaad van Witte Donderdag is en wat het ons doet. De verering en aanbidding van Jezus in het heilig Sacrament laat de weldaad van de eucharistie diep in ons hart doordringen. Het is meer dan een devotie, het staat in het hart van de Kerk en het leidt ook naar het hart van de Kerk. Daarom hebben we tijd nodig om dat te vieren, een hele dag: Sacramentsdag. In deze gemeenschap wordt er zelfs een heel octaaf gevierd, als privilege verleend door de Kerk om recht te doen aan de spiritualiteit van Moeder Mechtildis, die ook door de Kerk was erkend.
U allen hier aanwezig bij dit Sacramentstriduüm, u mag nu door de vieringen tot een grotere waardering gebracht worden, tot een inniger dankbaarheid voor dit goddelijke wonder, een wonder van attentie. Een wonder van fijn aanvoelen van onze menselijke verlangens, rekening houdend met onze menselijke natuur, die vieringen nodig heeft om de weldaden van God in herinnering te houden en steeds weer tot nieuw leven te wekken. Dat brengt ons dan vanzelf tot de schuldbelijdenis, dat wij die vieringen en die steeds weer opnieuw in ons midden gebrachte momenten van herinnering niet goed hebben gebruikt, dat wij ze niet van harte hebben meegevierd.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot de menigte der Joden:
“Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald.
Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid.
Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees
ten bate van het leven der wereld.”
De Joden geraakten daarover met elkaar in twist en zeiden:
“Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?”
Jezus sprak daarop tot hen:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet
en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u.
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt
heeft eeuwig leven
en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
Want mijn vlees is echt voedsel
en mijn bloed is echte drank.
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt
blijft in Mij en Ik in hem.
Zoals Ik door de Vader die leeft,
gezonden ben en leef door de Vader,
zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij.
Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald.
Het is niet zoals bij de vaderen die het manna gegeten hebben
en niettemin gestorven zijn;
wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven."

Homilie  

“Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald."
Brood uit de hemel. Brood van God. Wat moeten we ons daar nu bij voorstellen? Krijgt u in de kerk of op aarde hemelse ervaringen? Geeft Jezus u hemelse troost? Biedt Hij u een soort ontsnappingsroute uit de gewone voorwaarden van het menselijk bestaan? En dat hemelse manna, wat is dat? Het is een werkelijkheid voorbij aan alle aardse werkelijkheid. Sint Paulus heeft het ooit zo onder woorden gebracht: Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart ooit is opgekomen (vgl 1 Kor 2,9 naar Js 64,3), en Mozes zegt over het manna, zoals u in de eerste lezing hoorde: "Wat gij noch uw vaderen ooit hebben gezien." Dat niet weten wat het is, zit zelfs in dat woordje 'manna', want dat betekent: 'Wat is dat'?

Ik stond eens op een bus te wachten. Bij de halte zat een oude man op een bankje te wachten tot de bus zou komen en zijn kleinzoontje speelde voor hem op de grond. Opeens raapte het kind iets op, ik kon ook niet zien wat het was, en vroeg aan zijn opa in het Hebreeuws: 'Manna?' 'Manna?' 'Wat is dat?' Het is hetzelfde woordje dat de Joden in de mond namen, toen ze met dat zaadachtige, korrelige, fijne spul bij Mozes aankwamen: 'Manna?' 'Wat is dat? Zo kreeg dat spul de naam 'manna'. Je zou die woorden in onze taal eigenlijk zo moeten lezen: "God heeft u vernederd en honger laten lijden, maar u ook 'wat is dat' te eten gegeven, dat gij noch uw vaderen ooit hebben gezien." Het was iets wat ze niet thuis konden brengen, wat ze alleen maar konden rangschikken onder de ervaringen die ze in de omgang met God altijd al hadden gehad. Die omgang was iets unieks, iets heel anders dan wat de andere volkeren met hun goden meemaakten. Hun God was een verrassende God, een God van aangename verrassingen, een God van attenties, een God die blijk gaf de diepste verlangens van hun hart te peilen, te kennen, en steeds op wonderbare wijze ook te vervullen. Steeds kwam God met een nieuwe verrassing te voorschijn, vanuit een totaal andere hoek dan ze ooit gedacht hadden. Hun God was de enige, de unieke; Hij was heel anders dan die goden van de andere volkeren. Hij was een God die uit elke situatie nog iets kon maken, een God die recht schrijft op kromme lijnen, een God voor wie niets onmogelijk was. En het allerverwonderlijkst was wel, en daaraan konden ze maar niet wennen, dat hun God zijn goddelijke macht nooit aanwendde, om hen uit de gewone voorwaarden van het menselijk bestaan te bevrijden. Hij zette zijn macht niet in ter voorkoming van de gewone menselijke noden, zoals hongersnood, dorst, eenzaamheid, mislukkingen, vernederingen, heel die veertig jaren lange woestijntocht met die giftige beesten. Hij heeft hun dat niet willen besparen. Mozes zegt daarvan:
"Blijf denken aan heel de tocht van veertig jaar, die de Heer uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen."


Wat deden de Joden en wat doen mensen gewoonlijk als ze vernederd worden en geen nederige gezindheid hebben? Dan verheffen ze zich, dan komt uit de verborgenheid van hun hart te voorschijn wat daar verborgen was: hoogmoed, zelfverheffing, oordelen, opstand. Dat komt dan naar buiten. Ze grijpen naar de macht, ze overspelen hun gevoelens van kleinheid en zwakte. Ze maken zich sterk, ze maken zich meer mens dan ze zijn. Maar als ze de vernedering zouden aannemen, als ze de beweging naar omlaag zouden meemaken, als ze zich zouden buigen, als ze mee geven aan de beweging van overlevering, dan zouden ze in het diepst van hun hart een tegenbeweging ervaren, niet door henzelf opgewekt, maar door God. Wie zich vernedert, wordt verheven door God (vgl. Mt 23,12; Lc 14,11 en 18,14). Dan ervaren ze die verrassende God, die woont op zijn troon in de hoogte én in het diepvernederde mensenhart. U hebt het zo-even gehoord: "Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven … Hij wilde u daardoor laten beseffen, dat de mens niet leeft van voedsel alleen, maar van alles wat uit de mond van God komt." En dat is Jezus, de Zoon van God, het nieuwe 'Manna', het nieuwe: 'Wat is dat'? Het voedsel van onze verrassende, enige, unieke God.

Zo is Hij in het heilig Sacrament aanwezig. De hostie, altijd hetzelfde, altijd die witte, bleke schijn, waaruit alle kleur, alle levenskracht is geweken, als dood. Heel zwak, zwak tot het uiterste, en daaromheen altijd iets van glans, van goud of zilver, in een mooie vorm verwerkt, zoals hier op een troon. Dat is de verheffing door God. Hij heeft het niet zelf gedaan, Hij wérd verheven, als een beeld van ons menselijk bestaan, dat wij niet onszelf moeten verheffen, maar dat wij dat moeten overlaten aan God, die ons dan zó verheft, dat wij nooit meer vernederd kunnen worden.