Zaterdag in de zevende week
     van het even jaar
Eerste lezing: Jakobus 5,13-20 [III 83]
Evangelie: Marcus 10,13-16 [III 84]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd brachten de mensen kinderen bij Jezus
met de bedoeling dat Hij ze zou aanraken.
Maar bars wezen de leerlingen ze af.
Toen Jezus dat zag, zei Hij verontwaardigd:
“Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen.
Want aan hen die zijn zoals zij behoort het Koninkrijk Gods.
Voorwaar, Ik zeg u:
Wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind,
zal er zeker niet binnengaan.”
Daarop omarmde Hij ze en zegende hen,
terwijl Hij hun de handen oplegde.

Homilie  

“Is iemand onder u ziek? Laat hij de presbyters van de gemeente roepen; zij moeten een gebed over hem uitspreken."
Is iemand onder u ziek, ga ermee naar God. Wij zouden zeggen: is er iemand ziek, ga ermee naar de dokter. "Heeft iemand van u te lijden? Laat hij bidden", laat hij ermee naar God gaan. Wij zouden zeggen: ga ermee naar de psychiater. Als wij zoiets doen, gaan wij dan tegen het evangelie in? Nee, in de toenmalige wereld stond men machteloos tegenover allerlei gebeurtenissen in de natuur, in het lichaam, in de psyche, men was onwetend, men was eraan overgeleverd. Tegenwoordig hebben wij meer kennis en meer macht en daarvan mogen we ook gebruik maken. Maar we vergeten dan al gauw dat we er ook mee naar God moeten gaan, dat we ermee naar God mógen gaan. Sint Jakobus, uit wiens brief de eerste lezing genomen is, zegt niet alleen dat wij met dingen waarmee we niets kunnen naar God moeten gaan, maar ook dat we met de dingen waarmee we rijk zijn, naar God moeten gaan. "Is iemand welgemoed, laat hij een lofzang zingen." Heeft iemand goede zin, zouden wij zeggen, laat hij ermee naar God gaan, laat het aan God blijken.

Wordt het niet een beetje druk in die spreekkamer van God als wij met alles wat op ons hart ligt naar Hem toe gaan? Is er tussen al die anderen met hun grote en kleine wensen, met hun verhalen, hun gevoelens, hun noden, hun ziekten, hun goede en kwade zin, hun verlangens, voor mij nog wel plaats? Wordt het met al die mensen rondom God niet net zo'n gedrang als vandaag in het evangelie rond Jezus? Een gekrioel. De Meester is al zo moe, je zag het aan zijn ogen. Het is al het zoveelste dorp en steeds weer die massa's mensen die doen alsof Jezus alleen voor hen bestaat, alsof er niemand op de hele wereld is dan zij alleen. Dat kunnen de leerlingen van Jezus maar al te goed aanvoelen. "Bars wezen ze ze af." De Meester is moe. Juist omdat wij die leerlingen zo goed kunnen aanvoelen, doet Jezus zoveel moeite de ware verhoudingen aan het licht te brengen, hoe dat gedoe van die mensen in werkelijkheid bij Hem aankomt. Het wordt Hem niet teveel. Het wordt Hem nóóit teveel. God wordt het nooit teveel. Dat wil Jezus laten zien, dat wil Hij aan den lijve laten ondervinden. Kleine snotneuzen, kinderen van eenvoudige, arme plattelandsvrouwen, in een uithoek van het Joodse land, in een uithoek van het uitgestrekte Romeinse rijk, die gaan Hem ter harte. Hij moet laten zien hoe het bij de Vader is. Nooit te druk, nooit teveel, nooit te lastig, nooit: laat een ander de zaak maar afwikkelen, het nooit aan een ondergeschikte overlaten. Nee, zij komen altijd op de eerste plaats. De laatsten zullen de eersten zijn, staat er een eindje verderop in het evangelie.

Dat laat Jezus lijfelijk ervaren, die kinderen, die de laatste zijn, die nog helemaal geen verdiensten hebben, geen verdiensten kúnnen hebben, geeft Hij de zegen, de kinderzegen. De zegen die Jakob gaf aan zijn kinderen, zodat zij weten: wij treden in de erfenis. De zegen die iemand onverdiend ontvangt: de aanneming tot kind, die krijgen ze. En al wie zichzelf niet diskwalificeert als kind, die zichzelf niet onterft, behoort tot Gods Rijk van genade en zegen. Dat is wat er elke keer in de geschriften van het Nieuwe Testament voorkomt: we zijn kinderen van God en de erfenis is van ons. Dat gaat samen. Mooi makkelijk, onverdiend, je hoeft er niets voor te doen, je hoeft alleen maar te zorgen dat je jezelf niet onterft. Wie het rijk Gods niet aanneemt als een kind, wie zichzelf niet onterft, die zal er binnengaan. Zo is het ook hier. We hoeven alleen maar aan te nemen wat in onze hand, in ons hart gelegd wordt.