Dinsdag in de zevende week
     van het even jaar
             
Eerste lezing: Jakobus 4,1-10
Evangelie: Marcus 9,30-37


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Na de gedaanteverandering op de berg,
gingen Jezus en zijn leerlingen daar weg
en trokken Galilea door;
maar Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam,
want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten.
Hij zei hun:
“De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen
en ze zullen Hem doden;
maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan.”
Ze begrepen die woorden wel niet,
maar schrokken er voor terug Hem te ondervragen.
Zij kwamen in Kafarnaüm en, eenmaal thuis, ondervroeg Hij hen:
“Waar hebt ge onderweg over getwist?”
Maar zij zwegen,
want ze hadden onderweg een woordenwisseling gehad
over de vraag, wie de grootste was.
Toen zette Jezus zich neer, riep de twaalf bij Zich en zei tot hen:
“Als iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste van allen
en de dienaar van allen wezen.”
Hij nam een kind en zette het in hun midden;
Hij omarmde het en sprak tot hen:
“Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam, neemt Mij op;
en wie Mij opneemt, neemt niet Mij op,
maar Hem die Mij gezonden heeft.”
                   
Homilie  

Waar staan we in dit evangelie? De plaats waar dit evangelie zich afspeelt is niet meer boven op de berg, de berg van de Gedaanteverandering, maar beneden op de vlakte. Zo is het ook op het geestelijke vlak, de geestelijke plaats: boven de verheffing, en beneden de vernedering. Boven de heerlijkheid, beneden het lijden en de dood. Boven het gezelschap van Elia en Mozes en beneden overgeleverd in de handen van de huidige leiders van het volk: schriftgeleerden, overheden, hogepriesters. Vernedering en verheffing, daaruit bestaat het leven van Jezus. En zo houdt pastoor Jakobus het zijn parochianen ook voor, zoals u zo-even hoorde voorlezen uit de eerste lezing: "Vernedert u voor de Heer en Hij zal u verheffen."
De leerlingen die met Hem boven op de berg waren geweest, lieten zich op dat verblijf op de berg voorstaan. Ze deden er een beetje geheimzinnig over en daardoor werden de andere leerlingen jaloers. Maar zelf waren zij uit hetzelfde eerzuchtige hout gesneden, zoals bijvoorbeeld Johannes en Jakobus, die naderhand zullen vragen om de beste plaatsen, links en rechts naast Jezus' troon van glorie. Daar gingen dan de anderen weer tegen in: verbeeld jullie maar niets. Ik mocht zijn geld bewaren, ik heb duivels uitgedreven, ik heb meer zieken genezen dan wie dan ook, Hij heeft me al een paar keer aangekeken, of zoiets. Op deze manier pratende, kregen ze dan ook de woordenwisseling over wie de grootste was.

Zo gaat het met iedere élitegroep die gegroepeerd is rond een leider en die leider maakt daar gebruik van om ze tot nog grotere prestaties op te drijven. Hij speelt de één uit tegen de ander, hij vergelijkt ze met elkaar of speelt in op hun eerzucht. Iedere leider zal verguld zijn met zo'n élite. Jezus niet! Jezus begon hun de les te lezen. Hij zette Zich neer en toen wisten ze eigenlijk al hoe laat het was. Ze moeten een koerscorrectie gaan invoeren. Voor Jezus was het moeilijk zulke mensen de les te lezen, want voor je het weet, bereik je precies het tegenovergestelde van wat je wilt bereiken. Houd je ze de nederigheid voor, dan wordt dat al heel gauw een ideaal, een prestatie, iets groots, dan wordt deemoed een kwestie van nederig dóen. Dan krijgt het allemaal iets heel krampachtigs, iets heel onnatuurlijks. Daarom brengt Jezus die les bij hen binnen langs de weg van de natuur. Hij vertelt vergelijkingen, over het mosterdzaadje bijvoorbeeld. Het opgroeiende zaad is iets heel gewoons, daar gebeurt alleen maar iets heel natuurlijks mee. Of de les van Jezus over het je geen zorgen maken, bijvoorbeeld door hen de vogels in de lucht, de bloemen op het veld voor ogen te stellen, allemaal heel gewoon. Ook nu komt Hij bij de leerlingen met iets heel gewoons: een kind. Hun broers hadden waarschijnlijk kinderen, ze waren zelf kind geweest, ze hadden misschien nog kleine broertjes en zusjes, en bovenal Jezus was zelf kind geweest. Hij schouwt in het kind het Geheim van zijn eigen bestaan: Kind, Zoon van de Vader.

Nu gaat het erom dat het kind in het midden wordt gezet, waardoor het dus dient als een soort demonstratiemateriaal, als een lijdend voorwerp, eigenlijk: als een ding. Het eerste wat Jezus dan ook doet is dat dingmatige, dat zakelijke weg te nemen: Hij omhelst het kind. Hij geeft dat kind héél zijn liefde. En dat is nu precies wat Hij zijn leerlingen en ook ons wil leren. Zo is het bij jullie thuis toch ook gegaan, zo gaat het bij jullie thuis nog steeds, dat de kleinen, die niets kunnen en niets zijn, de meeste liefde ontvangen? Kinderen hoeven ook niets te zijn, ze hoeven ook niets te kunnen, ze worden omhelsd door Jezus, ze worden omhelsd door de Vader in de hemel. Als je dat kind in jezelf aanneemt, wanneer je wordt verkindst, vernederd, gekleineerd, dan neem je niet alleen dat kind aan, maar dan neem je ook de liefde van de Vader aan. Want het is nu juist over zo'n min kind dat de liefde van de Vader zich uitstort. Wanneer je je leven bouwt op klein-zijn, wanneer je je toevertrouwt aan de Vader in de hemel, dan zul je vervuld worden met zijn goddelijke liefde, met zijn goddelijke kracht.