Dinsdag in de zevende week
   van het oneven jaar
Eerste lezing: Sirach 2,1-11  
Evangelie: Marcus 9,30-37


Inleiding

'Onze Vader, trouwe Heer, zie vanuit de hemel op ons neer, op ons, als broeders bij elkaar.' Alleen al doordat de Vader uit de hemel ons ziet, en doordat wij zien hoe Hij ons ziet, worden wij als broeders en zusters met elkaar verenigd. Als onze blik niet gericht is op de Vader, op de Allerhoogste, maar op de mensen om ons heen, vragen wij ons misschien wel af wie er de grootste is. Niet doen dus. De ogen opslaan naar Degene boven ons, zodat er geen verdeeldheid onder ons ontstaat. De Allerhoogste de Allerhoogste laten zijn, onze ogen richten op Hem, om te zien hoe Hij zijn blik richt op ons, niet om ons te vernederen, maar om ons juist uit onze vernedering op te heffen. "Wie zichzelf vernedert, zal verheven worden" (Lc 14,11; vgl. 18,14).
Wenden wij ons dan in nederigheid tot God en belijden wij onze schuld, om deze heilige geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Na de gedaanteverandering op de berg
gingen Jezus en zijn leerlingen daar weg
en trokken Galilea door;
maar Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam,
want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten.
Hij zei hun:
“De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen
en ze zullen Hem doden;
maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan.”
Zij begrepen die woorden wel niet,
maar schrokken ervoor terug Hem te ondervragen.
Zij kwamen in Kafarnaüm
en, eenmaal thuis, ondervroeg Hij hen:
“Waar hebt ge onderweg over getwist?”
Maar zij zwegen, want zij hadden onderweg
een woordenwisseling gehad over de vraag
wie de grootste was.
Toen zette Hij Zich neer,
riep de twaalf bij Zich en zei tot hen:
“Als iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste van allen
en de dienaar van allen zijn.”
Hij nam een kind en zette het in hun midden;
Hij omarmde het en sprak tot hen:
“Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam, neemt Mij op;
en wie Mij opneemt, neemt niet Mij op,
maar Hem die Mij gezonden heeft.”

Homilie

Het evangelie van vandaag begint met de woorden: "Na de gedaanteverandering op de berg…" Jezus is weer terug in de vlakte van het gewone leven. Boven op de berg was Jezus opgenomen in de goddelijke verhouding tussen de Vader en de Zoon; nu, beneden in de vlakte, is Hij weer opgenomen in de menselijke verhoudingen. Boven op de berg liet Jezus Zich bekleden met de glorie en eer van de Vader. Het was niet zijn eigen glorie die straalde voor de leerlingen, maar Hij straalde in de glorie van de Vader. In eerste instantie leek het erop dat Jezus daar uit eigen kracht de meerdere was, zoals Hij voor hun ogen van gedaante veranderde: "zijn kleed glanzend en zó wit als geen volder ter wereld maken kan" (Mc 9,3), hemels wit, goddelijk wit; de meerdere van de grootste der profeten, van Mozes en Elia met wie Hij Zich onderhield: "Elia verscheen hun samen met Mozes en zij onderhielden zich met Jezus" (Mc 9,4), en de leerlingen waren daar getuige van.

Eindelijk bevond Jezus Zich in het gezelschap waarin Hij thuishoorde, waarbij Hij Zich thuis voelde. Daar waren de drie leerlingen getuige van, en het was geen wonder dat Petrus vond dat het zo moest blijven, dat ze dat moesten vasthouden. "Laten we hier drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia" (Mc 9,5). Toch was dit eigenlijk nog maar zoveel als het voorprogramma van de eigenlijke voorstelling. Niet Jezus was de hoogste, maar God de Vader, en deze laat Zich nu horen. Eerst kondigt Hij zijn komst aan met een wolk, een wolk zwanger van goddelijke aanwezigheid. "Een wolk kwam hen overschaduwen" (Mc 9,7), daarna werd het heel stil, alles stond op haren en snaren gespannen voor die naderende aanwezigheid van de Hoogste, van de Allerhoogste, van Iemand tot wie zelfs Jezus zijn ogen opsloeg, zozeer ging deze Persoon ook Hém te boven. En, alsof het nog niet genoeg was wat ze zagen, kregen ze het nu nog eens met zoveel woorden te horen. "Uit die wolk klonk een stem: Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem" (Mc 9,8).

Ze moeten allemaal naar Jezus luisteren, Hij is de grootste onder de mensen, maar zelf luistert Hij naar de Vader. Hij, een rabbi, groter dan Elia en Mozes, is niet God de Vader, Hij is de Zoon, Hij is het Kind, ondergeordend, ondergeschikt in liefde, Hij is de Welbeminde, maar gehoorzaam aan en afhankelijk van de Vader. Maar de Vader zet zijn volle kracht in om Jezus te bevestigen als Degene naar wie zij moesten luisteren, ook als Hij zulke woorden ging spreken als Hij deed na het afdalen van de berg. "Wat staat er geschreven over de Mensenzoon? Dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden" (Mc 9,12).

Dat is het thema van Jezus' onderrichting van vandaag. "Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten: De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden, maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan." Hij, de Mensenzoon, wordt vernederd, om te worden verheven. Op dat moment is Jezus de wijsheidsleraar, die aan zijn leerlingen de wijsheid voorhoudt, zoals Jezus Sirach het zíjn leerlingen deed, zoals we in de eerste lezing hoorden: "Mijn kind, indien ge nadert om God de Heer te dienen, bereidt u dan voor op verzoeking. … Wees lankmoedig in de wisselvalligheid van uw nederig bestaan.” Zoals Jezus in alle omstandigheden dezelfde is: lankmoedig, “want goud wordt beproefd in vuur en hij die bij God welgevallig is, wordt beproefd in de oven der vernedering." Dat is de les.

"De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan." Hoe reageren zijn leerlingen op deze les? Ze doen er het zwijgen toe, in tegenstelling tot de eerste keer dat Jezus met deze les kwam. Toen was het Petrus die namens allen het woord deed: "Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen” (Mt 16,22). “Petrus begon Hem ernstig daarover te onderhouden” (Mc 932). Nu zwijgen ze dus, maar ze nemen het niet aan. Dat blijkt uit wat daarna gebeurt: “ze hadden onderweg een woordenwisseling gehad over wie de grootste was."
Jezus toont hun de weg naar beneden, en zelfs als Hij in de hoogte wordt gestoken, blijft Hij nog de kleine, de Zoon. Ook voor Hem is God de Allerhoogste die Hem zal verheffen. Hij doet niet aan zelfverheffing. Maar de leerlingen, zij leven en praten, denken en doen als mensen zonder God, zonder Allerhoogste. Ze verheffen zich boven elkaar, ze leven zonder God, naar wie zij de ogen moeten opslaan, precies zoals Jezus deed, zelfs in zijn allergrootste glorie.

Weet u, Jezus leefde tussen de mensen met een neergeslagen blik, pas als Hij Zich tot de mensen richtte, sloeg Hij zijn ogen op. Maar Jezus slaat zijn ogen pas écht omhoog als Hij Zich tot de Vader richt. Bij de wonderbare broodvermenigvuldiging sloeg Hij zijn ogen op ten hemel, en bij het Laatste Avondmaal, en ook straks zult u de priester datzelfde horen zeggen over Jezus: 'Hij sloeg zijn ogen op ten hemel.'

Daarom "nam Jezus een kind, en zette het in hun midden", want voor een kind is iedereen groter, hoger. Een kind leeft altijd met omhooggeslagen blik en is zo dus een beeld van de Zoon, die ook altijd zijn blik gericht heeft op de Vader. Zo kan Hij de allergrootste vernederingen doorstaan, want Hij weet Zich altijd onder de blik van de Vader, die met liefde op Hem neerziet.