Eerste lezing: Sirach 5,1-8
Evangelie: Marcus 9,41-50
Inleiding
'Gij laaft u heel uw leven lang met water uit de harde steen, met het brood uit de hemel, met zijn zon.' Met brood uit de hemel, het levende brood, het brood dat leven geeft, niet het aardse leven, maar het leven van God, het eeuwige leven, het echte leven. Leven door de dood heen.
Beginnen we deze eucharistieviering met eerst voor God onze schuld te belijden, dat wij ons eigen leven leiden, dat wij leven van wat de mensen ons aan aardse dingen te bieden hebben, van wat vergaat. Belijden wij dan onze schuld om deze heilige geheimen - waar wij mogen eten van Hem - goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Als iemand u een beker water te drinken geeft omdat gij van Christus zijt,
voorwaar Ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.
Maar als iemand één van deze kleinen die geloven,
aanleiding tot zonde geeft,
het zou beter voor hem zijn
als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp.
Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven, hak ze af;
het is beter voor u verminkt het leven binnen te gaan
dan in het bezit van twee handen in de hel te komen, in het onblusbaar vuur.
Geeft uw voet u aanleiding tot zonde, hak hem af;
het is beter voor u kreupel het leven binnen te gaan
dan in het bezit van twee voeten in de hel te worden geworpen.
Geeft uw oog u aanleiding tot zonde, ruk het uit,
het is beter voor u met één oog het Rijk Gods binnen te gaan
dan in het bezit van twee ogen in de hel te worden geworpen,
waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt.
Iedereen zal met vuur gezouten worden.
Het zout is iets goeds;
maar als het zout zouteloos wordt
waarmee zult ge het dan zijn smaak hergeven?
Hebt zout in uzelf en leeft in vrede met elkaar.
Homilie
Gisteren hebben we gehoord hoe Johannes tot Jezus zegt: "We hebben iemand die ons niet volgt in uw Naam duivels zien uitdrijven, en we hebben getracht het hem te beletten." De leerlingen reageerden op een wijze die niet in de geest van Jezus is. Iemand die óns niet volgt", dat is typisch een gezegde dat voortkomt uit een gemeenschap met een gesloten karakter, een gemeenschap zonder Jezus, want Jezus staat open voor iedereen. Jezus overschrijdt met zijn liefde alle grenzen, zelfs de grenzen die mensen tegen Hem opwerpen. "Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten (Lc 6,27). Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen" (Mt 5,44.45).
Het gaat om Christus, om Christus als de zon van Gods liefde. Hij heeft een Naam boven alle namen, een supernaam. Als je in zijn Naam iets doet voor een ander, echt alleen in zijn Naam, in verbondenheid met Hem, en niet uit beleefdheid, of om van de ander af te zijn, of omdat het zo hoort, omdat je er anders op aangekeken wordt, of om verder met rust gelaten te worden, of om er in eigen ogen beter van te worden, nee, als je werkelijk iets doet omwille van zijn Naam, hoe gering ook, al was het maar iemand een beker water te drinken te geven omdat hij een leerling van Christus is: "voorwaar, Ik zeg u: uw loon zal u zeker niet ontgaan" (Mt 10,42; vgl. Mc 9,41).
Wat moeten we ons bij dat loon voorstellen? Kom je daarmee later in de hemel? Ja, maar de hemel is de voltooiing van dat loon, je loon krijg je nu meteen al. Waarmee anders kan Christus iemand belonen dan met Zichzelf? Dat loon is een gevoelde nabijheid van de Heer door zijn Geest, de Geest van de Vader, de Geest van de Heer.
Het gaat steeds om Jezus, om samen leven in Jezus' Naam. "Waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden (Mt 18,20). Aan God iets vragen doen we ook niet zomaar, dat doen we ook in zijn Naam. Wat ge ook zult vragen in mijn Naam, Ik zal het doen" (Joh 14,13). In Jezus' naam iets vragen houdt in, dat je bij je vragen een gevoelde nabijheid van de Heer hebt, want zijn Naam is nu juist wat er van Jezus uitgaat. Iemand heeft een goede naam, een goede roep, dat is een ervaring. Die geestkracht voel je en daarin zijn nabijheid, en daarin de zekerheid dat je dit moet vragen, of dat je iets niet moet vragen.
Omdat die Naam zo bovenmate belangrijk is, worden er ook van die verschrikkelijke straffen in het vooruitzicht gesteld voor wie aan een van deze kleinen, die in de Naam van Jezus geloven, aanleiding tot zonde geeft. Als je er de oorzaak van bent dat mensen minder in zijn Naam gaan geloven, minder hun vertrouwen stellen op Jezus, als je mensen van Christus afhoudt, heeft dat ernstige gevolgen. Jezus zegt daarover: "Het zou beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp." Zo belangrijk is Jezus voor deze wereld dat iemand die een ander van Hem afhoudt, zo zwaar gestraft moet worden.
Hoe komen mensen ertoe anderen van Christus af te houden? Ze komen daartoe omdat ze hun eigen leven belangrijker vinden, omdat men, zoals in de eerste lezing uit de kringen van de Wijsheid ten gehore werd gebracht, zich verlaat op de eigen rijkdommen, waardoor men van niemand afhankelijk is, zijn eigen weg kan gaan, zijn eigen zin doen, "wandelen naar de begeerte van het eigen hart", zoals dat daar heet, waardoor je hand, je voet, je oog, je niet meer helpen op de weg naar Hem. Ze trekken je af van Hem, en daarom: hak het af, ruk het uit.
Het evangelie lijkt wel beulenwerk, maar dit beulenwerk wordt niet ingezet om er anderen mee af te straffen, maar om je eigen ongeordendheid, je eigenwijsheid en eigenzinnigheid, je eigen kracht, waarmee je je losrukt van Christus, van de trekkracht van de heilige Geest, van Christus in jou, te ordenen. Je moet zo onthecht zijn, omdat je zo gehecht mag zijn aan Hem.
Ontvang Hem dan vandaag als het kostbaarste van heel de wereld, van heel de wereldgeschiedenis, als de enige waarborg voor de gerechtigheid en de vrede in deze wereld, voor de toekomst van de wereld en voor uzelf. Wees blij met Hem, om wat Hij voor de wereld betekent en ook voor uzelf. Hij heeft alles voor u over gehad, Zichzelf aan de beulen overgeleverd. U bent alles voor Hem, meer nog dan zijn eigen leven. Ieder kan zeggen: Christus die mij heeft lief gehad en Zich voor mij heeft overgeleverd. Dat zijn woorden van de apostel Paulus. Wanneer u werkelijk voor Hem leeft en van Hem leeft, leeft in verbondenheid met Hem, kunt u de ander aanvaarden zoals hij is. Dan pas meet u de ander niet langer af naar wat hij voor u betekent, of naar wat u voor de ander betekent, maar gaat u de ander afmeten naar Christus in hem of haar, naar Christus die in de ander uitstraalt.
Ontvang Hem dan als onderpand van het goddelijk leven, van het goddelijke geduld, van de zuivere, zelveloze liefde. Een hemels leven dat hier op aarde al mag beginnen, en dat in onze omgang met elkaar mag uitgroeien tot het eeuwige leven.