Vrijdag in de zevende week
     van het oneven jaar

Eerste lezing: Sirach 6,5-17  
Evangelie: Marcus 10,1-12  


Inleiding

Herder Jezus gaat door met herderen door de herders die in zijn Naam zijn geroepen, aangesteld en door Hem zijn gezonden. Zo'n herder was de heilige Bernardinus van Siëna. Hij was een minderbroeder en als minderbroeder helemaal ingesteld op Jezus, de minste van alle broeders. Hij trok als volksprediker door Italië en bracht velen tot inkeer. Zijn wapen was de heilige Naam Jezus. Hij liet er vaandels van maken met daarop het logo van die naam: IHS, Jezus, Zoon en Verlosser. Van die Naam gaat een kracht uit, een goddelijke kracht, de liefdeskracht van de heilige Geest.
Hij verkondigde die heilige Naam in de strijd der geesten, in de onverzoenlijke strijd van de politieke partijen van zijn dagen, als een nieuw soort volksleider. Hij wist die Naam te presenteren, wervend aan te bieden, zodat de partijen, die onverzoenlijk tegenover elkaar stonden, zich met elkaar verzoenden en in hun fanatisme wat werden bekoeld.
Moge Jezus nu ook met zijn Naam, met zijn strijd tegen de zelfzucht, hier in ons midden zijn.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd vertrok Jezus naar het gebied van Judea en het Overjordaanse.
Ook daar kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe
en als naar gewoonte onderrichtte Hij hen.
Er kwamen ook Farizeeën die Hem vroegen:
“Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten?”
Daarmee wilden zij Hem op de proef stellen.
Hij antwoordde hun met een wedervraag:
“Wat heeft Mozes u voorgeschreven?”
Zij zeiden:
“Mozes heeft toegestaan een scheidingsbrief op te stellen
en haar weg te zenden.”
Doch Jezus antwoordde hun:
“Om de hardheid van uw hart heeft hij die bepaling voor u neergeschreven,
maar in het begin, bij de schepping, heeft God hen als man en vrouw gemaakt.
Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten
om zich te binden aan zijn vrouw
en deze twee zullen één vlees worden.
Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn.
Wat God derhalve heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.”
Thuis ondervroegen de leerlingen Hem nogmaals daarover.
Hij sprak tot hen:
“Wie zijn vrouw wegzendt en een andere huwt,
maakt zich tegenover haar schuldig aan echtbreuk.
En wanneer zij haar man verlaat en een andere huwt, begaat zij echtbreuk.”

Homilie

“Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten?"
Er wordt niet gevraagd: 'Staat het een vrouw vrij haar man te verstoten?' Dat kwam in de mannenmaatschappij van die dagen niet voor. De man was de heer van het huwelijk. Maar als men dat nu zou vragen: 'Staat het een vrouw vrij haar man te verstoten?', dan zou het evangelie zeggen: niet de man is de heer van het huwelijk, maar ook de vrouw niet, God is de Heer van het huwelijk. God heeft hen tot man en vrouw gemaakt en hen één vlees doen worden; die twee zijn één en "wat God derhalve verbonden heeft mag een mens niet scheiden."

Toch is het huwelijk niet onverbrekelijk omdat God dat zo bepaald heeft, zo van: eenmaal gesloten blijft gesloten, je zit aan elkaar vast omdat Ik dat zo bepaald heb. Ik ben de Heer van het huwelijk, Ik heb het daarover voor het zeggen. Het is een goddelijk gebod, en wat Ik heb bepaald, daar zit je je leven lang aan vast.
Nee, God legt zijn wil niet op aan man en vrouw, of aan mensen die op de een of andere manier duurzaam met anderen verbonden zijn, want dit geldt evengoed voor vele andere soorten relaties, bijvoorbeeld: een gemeenschap, een kloostergemeenschap, een beroep, de familie. Dat mensen die duurzaam op elkaars levensweg zijn gezet, aan elkaar vastzitten, is niet iets wat God van buitenaf oplegt, maar het is iets waartoe Hij ons van binnenuit heeft gevoerd.

Dat wat twee mensen met elkaar verbindt, wordt in het sacrament van het huwelijk opgenomen in het liefdesverbond van God met deze mensen, en vanaf dat ogenblik is de liefde van man en vrouw niet meer het laatste. Het laatste is de liefde van God. Het is het laatste, maar ook het eerste. God is immers dichter bij de mensen dan de mensen bij elkaar zijn. Je kunt nog zo dicht bij een ander zijn, God is altijd nog dichterbij. Vanuit die diepte van Gods aanwezigheid, en vanuit zijn liefde mag de gelovige de ander beminnen; dat is waarin de gelovige zich onderscheidt van de niet-gelovige. De gelovige heeft Christus zelf als voorbeeld voor zijn liefde. "Mannen hebt uw vrouw lief, zoals Christus de Kerk heeft liefgehad: Hij heeft Zich voor haar overgeleverd" (Ef 5,25).

Christenen hebben in de omgang met elkaar een liefde voor ogen die sterker is dan de dood. De dood van Jezus is het voorbeeld voor mensen die elkaar voor het leven willen liefhebben. Christenen weten beter dan niet-christenen dat er in liefde altijd iets van doodgaan moet zitten, van beetje bij beetje aan jezelf afsterven, je eigen grenzen doorbreken, over de grenzen van je eigen wezen heen, door dat stukje leegte heen naar die ander toe. Als je dat voorbeeld van Christus niet hebt, die sfeer in de Kerk van dat offer van Jezus, wat eigenlijk heel de Kerk uitmaakt, waardoor de Kerk Kerk wordt, dan zijn mensen aangewezen op hun eigen wederzijdse gevoelens van liefde en genegenheid. Dat is een soort idealisme dat in het begin geweldig trekt, geweldig doet samensmelten, maar na een tijdje, - omdat gevoelens maar gevoelens zijn, en wat is er veranderlijker dan het menselijke gevoel? - komt er vervreemding, een leegte, dan sluipt er een soort tegenzin in en dat moet dan op de een of andere manier worden gecompenseerd. Dan gaat het onderlinge gesprek niet verder, of wordt het gevuld met andere onderwerpen, met aandacht voor de kinderen, het werk, ontspanning, uitjes, rijkdom, of genoegens, en als er dan ook maar iets gebeurt, breekt de oorspronkelijke band, die alleen maar een band was van gevoelens. Het is een huis gebouwd op zand.

God verbindt man en vrouw. Gelovige mensen ervaren dat als ze voelen dat zij vanuit zichzelf niet meer bij elkaar kunnen blijven, dat hun persoonlijke gevoelens niet toereikend zijn om elkaar voor altijd trouw te zijn, dat zij vanuit iets diepers worden gestuwd, vanuit God, waardoor zij toch bij elkaar blijven. En dat is niet omdat het van bovenaf móet, maar omdat het moet van binnenuit, door de kracht van de heilige Geest, de kracht van zijn liefde.

Het is dan ook niet zonder zin dat de woorddienst in elke heilige mis zijn natuurlijk eindpunt heeft in de offerdienst, waarin de Heer Zich openbaart door te geven wat Hij is, niet met woorden, maar met een daad: de daad van zijn zelfgave. Hij heeft Zich voor ons overgeleverd. Ook nu doet Hij dat: 'Dit is mijn Lichaam voor u.' Opdat wij er steeds weer aan herinnerd worden dat Hij van ons houdt, niet met woorden of met de tong, maar metterdaad en in waarheid, opdat, als wij Hem of elkaar zouden loslaten, wij mogen weten: Hij laat óns nooit los. Deze liefde blijft, want niet wij hebben Hem uitverkoren, maar Hij ons!