Dinsdag in de zevende week van Pasen
Eerste lezing: Handelingen 20,17-27 [I 236]
Evangelie: Johannes 17,1-11a [I 237]


Inleiding    

Vandaag wordt er in de lezingen afscheid genomen: Paulus in Éfeze, en Jezus in zijn rede bij het Laatste Avondmaal. Eucharistie vieren is afscheid nemen van het oude leven, van de oude schepping, en ons laten bekleden met Christus, zoals we zo-even zongen: 'Laten wij ons met de nieuwe schepping laten bekleden.' Eucharistie vieren als was het voor de éérste keer, als was het voor de láátste keer van je leven, als was het de énige keer van je leven.
Als was het voor de laatste keer, want op de laatste dag van je leven, in het laatste uur, komen de diepere krachtlijnen van je leven naar boven. Waar heb je van geleefd? We hebben geleefd van waar Jezus van geleefd heeft, van wat wij nu mogen vieren, van de liefde van de Vader.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en zei:
“Vader, het uur is gekomen.
Verheerlijk Uw Zoon
opdat de Zoon U verheerlijke.
Gij hebt Hem immers macht gegeven over alle mensen
om eeuwig leven te schenken
aan allen die Gij Hem gegeven hebt.
En dit is het eeuwige leven,
dat zij U kennen, de enige ware God
en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus.
Ik heb U op aarde verheerlijkt
door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen te doen.
Gij, Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf
en geef Mij de heerlijkheid
die Ik bij U had eer de wereld bestond.
Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen
die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt.
U behoorden ze toe;
Mij hebt Gij ze gegeven
en zij hebben uw woord onderhouden.
Nu weten zij dat al wat Gij Mij gegeven hebt van U komt.
Want de boodschap die Gij Mij hebt meegedeeld,
heb Ik hun meegedeeld,
en zij hebben ze aangenomen
en naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan,
en zij hebben geloofd dat Gij Mij hebt gezonden.
Ik bid voor hen.
Niet voor de wereld bid Ik,
maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt,
omdat zij U toebehoren.
Al het mijne is van U en het uwe is van Mij.
Zo ben Ik in hen verheerlijkt.
Ik blijf niet langer in de wereld,
zij echter blijven in de wereld terwijl Ik naar U toe kom.”

Homilie  

In de eerste lezing neemt Paulus afscheid van de oudsten van de Kerk in Éfeze, en in het evangelie neemt Jezus afscheid van zijn leerlingen in het gebeuren van zijn grote afscheidsrede waarmee wij de laatste dagen steeds bezig zijn. Ook wij zijn hier bijeen bij een afscheidsmaal en daar wordt dít woord verkondigd.

Bij een afscheid voorgoed openbaren zich de diepere krachtlijnen van het voorafgaande leven, wat iemands eigenlijke inzet was, waar het hem eigenlijk om te doen was. Zo is het ook bij Jezus. "Jezus sloeg zijn ogen ten hemel." Zo'n blik omhoog naar de hemel zijn wij nog niet zo lang geleden ook tegengekomen in een lezing uit de Handelingen der Apostelen, bij Stefanus. Ook hij sloeg zijn ogen ten hemel.
Dat alleen al is voldoende om te weten wie Jezus voor ons heeft willen zijn. Een hemelmens, iemand vanuit de hemel. Iemand die thuis is in de hemel, die van de hemel komt en naar de hemel gaat. En dat is nu precies waarvan wij ons hebben losgemaakt. Wij zijn in opstand gekomen tegen de hemel. Dat is de zonde. Toen Adam en Eva in die zonde waren gevallen, verborgen zij zich voor God in de hemel, en daarmee ging het paradijs dat voor ons was weggelegd, voor ons verloren.

Het paradijs is niet zomaar een stukje natuur ergens in het Midden Oosten, waar een engel met een zwaard staat om binnendringers tegen te houden. Nee, zo is het niet, dat is een veruitwendiging van een innerlijk gebeuren, van een geestelijk gebeuren, waartoe mensen overgaan, die zichzelf van God hebben losgemaakt. Het paradijs wordt dan eigenlijk iets los van God, dan krijgt God de schuld dat het voor ons verloren is gegaan. Wij zouden er door Hem uit zijn weggejaagd. Maar als je weet dat het paradijs de hemel is en dat de mensenkinderen op aarde die hemel in hun hart dragen, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, dan kom je veel dichter bij je eigen schuld dat je God uit je hart hebt weggejaagd; het paradijs is je niet zomaar ontvallen, je hebt er zelf deel aan dat het voor jou verloren is gegaan. Als we dat eenmaal weten, kunnen we veel dichter naderen tot de diepere vreugde en het geluk. 'Diepe vreugde vindt hij in Gods geboden', zingen we als we de feestdag van een heilige vieren.

Jezus staat hier in de kapel (van de zusters van priorij Nazareth) als de nieuwe hemelmens, die de hemel in zijn Hart draagt, die God in zijn Hart draagt. Hij is de hemel in eigen Persoon. Jezus is in de eucharistie aanwezig als een aardse hemelmens; waar Hij staat uitgesteld is het een stukje hemel op aarde.

Wat is er nu in de hemel waarnaar Jezus zijn aardse ogen opslaat? Er zijn meer dingen in de hemel en op aarde dan ons verstand bevatten kan. Wat is er dan méér? Jezus vult dat in, Hij geeft daar inhoud aan. De hemel, dat is God. De hemel, dat is Iemand. Jezus richt Zich tot Iemand. Dat houdt in dat daarboven in de hemel geen onpersoonlijke macht heerst. De mensen zeggen dat wel: 'er moet toch íets zijn, iets hogers, een hogere macht of zo.' Nee, God is niet iets, God is Iemand, God is een U, een Gij, God is een Persoon. Toch kun je daarmee ook nog alle kanten uit, want wat voor een U is Hij dan? Wat voor een soort Persoon is Hij dan? Wat draagt Hij in zijn hart? Wat zijn zijn bedoelingen? Hoe is Hij met zijn Hart bij de dingen en bij de mensen, bij ons?

Ook dat vult Jezus in. Hij sloeg zijn ogen ten hemel en bad: "Vader, …" Dat is eigenlijk alles! God is een Vader voor Jezus, en dat wil Hij ook voor ons zijn. Wat een vader is voor een kind, dat is God voor de mensen. Dat wordt in heel die plechtige redevoering, dat afscheidswoord van Jezus, steeds weer op andere wijze aangeduid. "Vader, het uur is gekomen.” Het uur is het uur van de Vader. “Verheerlijk Uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijke.” Dat is de heerlijkheid waarvan de aarde vol is, vol van de glorie van de Vader. “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem, de Zoon, die Gij hebt gezonden, Jezus Christus.” De Vader is ook Jezus' werkgever. “Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen te doen. De leerlingen zijn eveneens van de Vader. "…geopenbaard aan de mensen, de leerlingen, die Gij, Vader, Mij uit de wereld gegeven hebt.” Ook het woord dat Jezus spreekt, is het Woord van de Vader. En tenslotte is Jezus zelf van de Vader. “Al het mijne is van U en het Uwe is van Mij." God is alles voor Jezus.
Wat de mensen in de zondeval zijn kwijtgeraakt, God en daarmee alles, dat komt Jezus terugbrengen in zijn eigen Persoon. De mensen hadden zich losgemaakt van wat alles voor hen betekende, en daarmee hadden zij het paradijs verloren, het hemelse geluk in hun hart. Maar Jezus geeft het hun terug.

In deze dagen zijn wij in afwachting van Pinksteren, van de hemelse kracht van de Vader, precies zoals de leerlingen in de zaal van het Laatste Avondmaal in afwachting zijn van de heilige Geest. Zelf heb je niets, zelf kun je niets; zelf heb je wat alles voor je betekent, ongedaan gemaakt, omdat je in de greep van de zonde bent. Je kunt geen stap zetten, je kunt geen woord spreken, je kunt geen enkel gevoel hebben en je niets voorstellen, of dat verloren paradijs, de hemel in je hart, die verloren is gegaan, speelt daarin mee.
Je bent daarom aangewezen op een kracht van de andere kant van de wereld, die erop uit is om wat je verloren hebt - en dat was alles - aan je terug te schenken. Steeds opnieuw. Je breekt het Lichaam van Christus af, Hij bouwt het weer op.