Vrijdag in de zevende week van Pasen
Eerste lezing: Handelingen 25,13-21 [I 242];
Evangelie: Johannes 21,15-19 [I 243]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Toen Jezus verschenen was aan zijn leerlingen,
zei Hij na het ontbijt tot Simon Petrus:
“Simon, zoon van Johannes,
hebt ge Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben?”
Hij antwoordde:
“Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.”
Jezus zei hem:
“Weid mijn lammeren.”
Nog een tweede maal zei Hij tot hem:
“Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?”
En deze antwoordde :
“Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.”
Jezus hernam :
“Hoed mijn schapen.”
Voor de derde maal vroeg Hij:
“Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?”
Nu werd Petrus bedroefd,
omdat Hij hem voor de derde maal vroeg:
“Hebt ge Mij lief?”en hij zei Hem:
“Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U bemin.”
Daarop zei Jezus hem:
“Weid mijn schapen.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Toen ge jong waart,
deed ge zelf uw gordel om en ging waarheen ge wilde,
maar wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken,
een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt.”
Hiermee zinspeelde Hij op de dood
waardoor hij God zou verheerlijken.
En na deze woorden zei Hij hem:
“Volg Mij.”

Homilie  

“Een zekere Jezus, die dood is maar van wie Paulus beweerde dat Hij leeft."
Dat beweren wij ook. Gelóven wij het ook? Zoals Paulus. Leven is zelfbeweging. Zelf zijn wij roerloos, maar soms merken wij hoe wij bewogen wórden. Er beweegt zich iets in ons, niet zomaar, maar naar God toe.
Als mensen bij een heel deftig diner worden uitgenodigd, is het de gewoonte hen bij het binnentreden in de dinerzaal aan de andere gasten voor te stellen bij monde van een ceremoniemeester, die luid hun naam noemt, met de uitvoerige vermelding van hun titels en waardigheden. Als iemand gepromoveerd wordt, opgeroepen wordt tot een hogere positie, wordt bij zijn inhuldiging melding gemaakt van zijn staat van dienst, van alles wat hij gedaan heeft, heel zijn verleden wordt getekend als een geleidelijke opgang naar de waardigheid waartoe hij wordt uitverkoren en waarvoor hij als het ware scheen voorbestemd.

Vandaag, in het evangelie, wordt Petrus gepromoveerd tot eerste, tot opvolger van Jezus als hoeder van zijn kudde, tot opperherder: "Weid mijn lammeren, weid mijn schapen." En ook hier brengt Jezus zijn staat van dienst in herinnering: niet zijn verdiensten, maar zijn falen, niet zijn trouw, maar zijn ontrouw: de zwartste bladzijde uit Petrus' leven: "nu werd Petrus bedroefd, omdat Hij hem voor de derde maal vroeg: Hebt ge Mij lief?" Berouwvolle liefde met als offer het 'ik'.

Als wij worden uitgenodigd plaats te nemen aan de tafel van de Heer, worden we opgeroepen onze waardigheden af te leggen en onze schuld te belijden. Onze promotie, het aanzitten aan zijn tafel, is geen eigen verdienste. Het is louter genade. Ook is het een tafelgemeenschap met Hem, die zelf alle waardigheid heeft afgelegd, die het goed heeft gevonden, ofschoon Hij de Schepper is van hemel en aarde, dat er bij de mensen over Hem gesproken werd als "een zekere Jezus die dood is, maar van wie Paulus beweert dat Hij leeft" (Hand 25,19).