Dinsdag in de zevende week van Pasen
               Heilige Johannes I, paus en kerkleraar


Eerste lezing: Handelingen 20,17-27  
Evangelie: Johannes 17,1-11a


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en zei:
“Vader, het uur is gekomen.
Verheerlijk Uw Zoon
opdat de Zoon U verheerlijke.
Gij hebt Hem immers macht gegeven over alle mensen
om eeuwig leven te schenken
aan allen die Gij Hem gegeven hebt.
En dit is het eeuwige leven,
dat zij U kennen, de enige ware God
en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus.
Ik heb U op aarde verheerlijkt
door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen te doen.
Gij, Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf
en geef Mij de heerlijkheid
die Ik bij U had eer de wereld bestond.
Ik heb uw Naam geopenbaard
aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt.
U behoorden ze toe;
Mij hebt Gij ze gegeven
en zij hebben uw woord onderhouden.
Nu weten zij dat al wat Gij Mij gegeven hebt van U komt.
Want de boodschap die Gij Mij hebt meegedeeld,
heb Ik hun meegedeeld,
en zij hebben ze aangenomen
en naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan,
en zij hebben geloofd dat Gij Mij hebt gezonden.
Ik bid voor hen.
Niet voor de wereld bid Ik,
maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt,
omdat zij U toebehoren.
Al het mijne is van U en het uwe is van Mij.
Zo ben Ik in hen verheerlijkt.
Ik blijf niet langer in de wereld,
zij echter blijven in de wereld terwijl Ik naar U toe kom.”

Homilie  

Paulus neemt afscheid van de oudsten van de kerk in Éfeze. Jezus neemt afscheid van zijn leerlingen. Wij staan bij een afscheidsmaal en daar wordt dit woord verkondigd. Bij een afscheid, bij een afscheid van het leven, openbaren zich de diepere krachten van het voorafgaande leven, wat iemands eigenlijke inzet is geweest.

Zo is het ook bij Jezus. "Hij sloeg zijn ogen ten hemel", een hemelse blik, dat alleen al is voldoende om te weten wie Jezus voor ons heeft willen zijn. Iemand van de hemel, Iemand die thuis is in de hemel, waarvan wij ons nu juist hadden losgemaakt. Wij waren in opstand tegen God in de hemel. Dat is wat zonde is. Toen Adam en Eva die zonde hadden begaan, verborgen zij zich voor God in de hemel. Daarmee ging het paradijs dat voor ons was weggelegd, verloren. Het paradijs is niet een stukje natuur ergens in het Midden Oosten, waar een engel met een zwaard ieder die er binnen wil dringen tegenhoudt. Nee, dat is nu zo'n typische veruitwendiging waartoe mensen in staat zijn die de dingen hebben losgemaakt van God. Het paradijs wordt dan iets los van God, waarbij Hij ook min of meer de schuld krijgt, dat Hij ons daaruit heeft weggejaagd. Maar als je weet dat het paradijs de hemel is, en dat de mensenkinderen op aarde die hemel in hun hart droegen, geschapen als zij waren naar Gods beeld en gelijkenis, dan kom je veel dichter bij je eigen schuld, dat je God uit je hart hebt weggejaagd. Dan kom je ook veel meer bij je diepere vreugde en geluk, je mogelijkheid om in het aardse God te beminnen en te verheerlijken.

Zo staat Jezus hier als een nieuwe 'hemelmens', die de hemel draagt in het hart, die God draagt in zijn hart. Hij is de hemel in eigen Persoon. Jezus staat hier tussen hemel en aarde, als een aardse hemelmens op een hemelse aarde.

Wat is er nu in de hemel, dat Jezus zijn ogen daarnaar opslaat? Er zijn meer dingen in de hemel en op aarde dan ons verstand kan bevatten. Wat is er dan meer? Jezus vult dat in. Hij geeft de hemel een inhoud. Wat is de hemel? De hemel is Gód. God is Iemand. Jezus richt Zich tot Iemand. Daar boven in de hemel is geen onpersoonlijke macht. De mensen zeggen wel: er moet toch iets zijn, iets hogers, iets groters, een hogere macht. Nee, God is een 'U', God is een 'Gij', God is Iemand. Maar daarmee kun je ook nog alle kanten uit. Wat voor een 'U' is Hij? Wat voor een Persoon is Hij? Wat draagt Hij in zijn hart, wat zijn zijn bedoelingen? Wil Hij macht uitoefenen, wil Hij anderen klein krijgen? Hoe is Hij met zijn hart bij dingen en mensen, bij andere wezens, bij ons? Is zijn hart er wel bij? Wat voor relatie heeft die 'Gij' met ons? Ook dat kleurt Jezus in: "Vader". Wat een vader is voor het kind, dat is God voor de mensen, dat is God voor Jezus, dat is dus álles.

Dit wordt in heel die plechtige redevoering op steeds nieuwe wijze ingekleurd. Jezus bepaalt het uur: "Vader, het uur is gekomen. Hij is de heerlijkheid waar de aarde vol van is. Vol van de glorie van de Vader. En het eeuwige leven is: “God kennen en Hem, de Zoon die Gij hebt gezonden, Jezus Christus.” Hij is de werkgever van Jezus. “Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen te doen.”
Maar ook de leerlingen zijn Hem door de Vader gegeven. En het woord dat Jezus spreekt is het woord van de Vader. “Zij hebben Uw woord onderhouden en de boodschap die Gij Mij hebt meegedeeld heb Ik hun meegedeeld.”
En tenslotte: Jezus is zelf van de Vader. “Al het mijne is van U en het uwe is van Mij.” “Zij hebben naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan."

Waarvan hadden de mensen zich losgemaakt? Zij hadden zich losgemaakt van alles, wat alles voor hen betekende. Daarmee hadden zij het paradijs verloren, het hemelse geluk in hun hart. Maar Jezus geeft het hun terug.
Wij zijn nu in afwachting van de hemelse kracht van de Vader, zoals de leerlingen bijeen zijn in de zaal van het Laatste Avondmaal, in afwachting van de heilige Geest. Dat is de Geest die ons in staat kan stellen om in Jezus alles te zien en alles te beleven, wat wij door de zonde zijn kwijtgeraakt.