Vrijdag in de zevende week van Pasen
            Heilige Christophorus Magellaen, priester,
                            en Gezellen, martelaren


Eerste lezing: Handelingen 25,13-21  
Evangelie: Johannes 21,15-19


Inleiding
 

Er zijn martelaren te vieren vandaag, nieuwe martelaren die erbij gekomen zijn in de kalender van de heiligen: de heilige Christophorus Magellaen, priester, en zijn gezellen, die in 1927 in een vlaag van vervolging, van onverdraagzaamheid tegenover de christenen in Mexico werden terechtgesteld, terwijl zij Christus beleden als Koning. Zij riepen toen uit: 'Christus Koning!' Dat is wat mensen kunnen zeggen wanneer zij afscheid nemen van deze wereld, als in ballingschap, dat het koningschap van Christus verder reikt dan deze wereld. Het begint in deze wereld, maar het wordt voltooid in de hemel. Belijden wij dan onze schuld, dat wij het koningschap van Christus zo gemakkelijk beperken, dat er zoveel gebieden zijn waar wij zelf koning willen blijven.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus  volgens Johannes


Toen Jezus verschenen was aan zijn leerlingen,
zei Hij na het ontbijt tot Simon Petrus:
“Simon, zoon van Johannes,
hebt ge Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben?”
Hij antwoordde:
“Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.”
Jezus zei hem:
“Weid mijn lammeren.”
Nog een tweede maal zei Hij tot hem:
“Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?”
En deze antwoordde:
“Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.”
Jezus hernam:
“Hoed mijn schapen.”
Voor de derde maal vroeg Hij:
“Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?”
Nu werd Petrus bedroefd,
omdat Hij hem voor de derde maal vroeg:
“Hebt ge Mij lief?” en hij zei Hem:
“Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U bemin.”
Daarop zei Jezus hem:
“Weid mijn schapen.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Toen ge jong waart,
deed ge zelf uw gordel om en ging waarheen ge wilde,
maar wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken,
een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt.”
Hiermee zinspeelde Hij op de dood
waardoor hij God zou verheerlijken.
En na deze woorden zei Hij hem:
“Volg Mij.”

Homilie    

Hoe gaan mensen met elkaar om in het rijk van de wereld, en hoe gaan mensen met elkaar om in het rijk van God? In de eerste lezing wordt uitvoerig geschilderd hoe de mensen in het rijk van de wereld met elkaar omgaan. De Romeinse bevelhebber Festus legt het geval van Paulus voor aan koning Agrippa. Hij vertelt hoe de zaak tot dan toe verlopen is. Wat gebeurt er in dergelijke gevallen: "Ik heb hun te verstaan gegeven, dat de Romeinen niet gewoon zijn iemand bij wijze van gunst uit te leveren, voordat de beklaagde tegenover zijn beschuldigers heeft gestaan en gelegenheid heeft gehad zich tegen de aanklacht te verdedigen. Zij kwamen dus hierheen en zonder uitstel heb ik de volgende dag rechtszitting gehouden en de man laten voorleiden." Het is allemaal correct gegaan, het is recht, het is wet. Niets persoonlijks, geen persoonlijk engagement van Festus zelf met deze of gene, maar alleen een engagement met het recht, met de wet. Er is niets op aan te merken, het is correct. Het is de buitenkant. Maar in het heilig evangelie, waarin het Rijk van God en de menselijke verhoudingen worden beschreven, is het niet de wet, de regel, de buitenkant, maar is het de binnenkant waar mens en God zich laten leiden door liefde.

Petrus wordt aangesteld als opperherder, plaatsbekleder van Jezus. En wat vraagt Jezus dan: "Hebt ge Mij lief?" Omdat hij de eerste is, moet hij ook meer liefhebben dan de anderen. Wat is dat dan voor een soort liefde waarvan Petrus kan zeggen dat hij haar heeft? "Ja, Heer, Gij weet dat ik U bemin." Liefde komt toch tot uiting in de werken, niet in mooie woorden, maar in concrete daden. Welke daden kan Petrus laten zien, uit welke daden blijkt dat hij kan zeggen dat hij Jezus echt bemint? Hij kan eigenlijk alleen maar een anti-prestatie laten zien: de verloochening. Dat is de enige daad die in ons geheugen en ook in zijn geheugen gegrift staat. Geen liefde, maar eigenliefde. Hij heeft zijn eigen hachje willen redden! Dat wordt hier in herinnering gebracht, en omdat dat in herinnering wordt gebracht, doordat Jezus driemaal vraagt "Heb je mij lief?”, wordt Petrus bedroefd, hij denkt aan zijn driemaal herhaalde verloochening. Op dat moment brengt Petrus het offer van liefde, namelijk het offer van de berouwvolle liefde. Zoals het in psalm 51 heet: “Ach met schuld belast werd ik geboren, schuldig was het dat mijn moeder mij ontving, maar Gij hebt behagen in oprechtheid. Gij hebt mij geleerd in eigen hart te zien. In geschenken hebt Gij geen behagen, wat ik U ook bied Gij wilt het niet. Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid. Een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af."

De liefde die de Kerk bindt aan haar Meester is een berouwvolle liefde, want de liefde die de Bruidegom bindt aan zijn Bruid is een barmhartige liefde. Onze Heer zegt over de boetvaardige zondares: "haar zonden zijn haar vergeven al waren ze vele, want ze heeft veel liefde betoond”  (Lc 7,47a). Wat voor een soort liefde heeft zij betoond? Berouwvolle liefde. “Aan wie weinig wordt vergeven,  hij betoont weinig liefde" (Lc 7,47b).

Niet dat de zonde van Petrus groter was dan de zonden van anderen, maar zijn berouw was groter. En daartoe zijn wij allemaal in staat, een berouwvolle liefde, zien hoezeer wij Hem tekort hebben gedaan, de pijn die wij Hem aandeden. Zien hoe Hij ons boete-offer heeft overgenomen, de eerste boeteling van de mensheid, en de pijn, de vernedering, die Hem dat heeft gekost. Een berouwvolle liefde, dat wij ons meer vernederen dan de ander en zo meer liefde laten blijken.