Zevende zondag door het jaar,
                 jaar B
Eerste lezing: Jesaja 43,18-19.21-22.24b-25 [B 128]; antwoordpsalm: Psalm 41,2-3.4-5.23-24 [B 128]
Tweede lezing: 2 Korintiërs 1,18-22 [B 129]; vers voor het evangelie: Johannes 1,14.12b [B 130]
Evangelie: Marcus 2,1-12 [B 130]


Inleiding  

'Domine, in tua misericordia speravi.' … 'Heer, op uw goedheid blijf ik vertrouwen.' 'Heer, van uw barmhartigheid moet ik het hebben, zonder uw goedheid ben ik nergens.' De besprenkeling met het gewijde water, waarmee we op zondag de eucharistie beginnen, betekent die barmhartigheid van de Heer. Hij treedt onze zonden met barmhartigheid tegemoet.
In de omgang met elkaar gebruiken mensen soms tekens, of gebaren. Je steekt iemand een hand toe, dat wil zeggen: ik wil met je te maken hebben. Omhels je iemand, geef je iemand een kus, dan betekent dat: ik hou van je. Een gebalde vuist betekent opstandigheid, verzet, of haat. Tekens zeggen soms meer dan woorden.
In de omgang met God maken wij ook gebruik van tekens: het kruisteken, de besprenkeling met het water, buigen, staan, bekruisen van het voorhoofd, de mond en de borst; al die dingen betekenen iets, ze zijn veelzeggend. Er zijn ook nog tekens die niet alleen verwijzen naar dat wat ze betekenen, maar die bevatten wat ze betekenen. Díe tekens noemen we sacramenten. Brood, bijvoorbeeld, is een teken dat Jezus voor ons mensen is als brood. Zonder brood ga je dood, dat betekent dat we zonder Jezus niet kunnen leven. Maar in het sacramentele teken van het brood is het brood Jezus. Het brood bevat wat het betekent. Het aardse brood is hemels brood geworden, brood uit de hemel.
Zo is het ook bij het doopsel. Water betekent reiniging, maar het water van het doopsel reinigt niet van lichamelijke smetten en vuil, het reinigt de ziel. Het water waarmee wij gedoopt worden, betékent niet alleen reiniging, het bewérkt die reiniging ook. We worden in de doopvont werkelijk van onze zonden gereinigd, onze zonden worden echt vergeven.
Dat wonderlijke gebeuren vieren wij telkens aan het begin van de zondagse eucharistie. We vieren dat God een nieuw begin heeft gemaakt. Dat zullen we in de eerste lezing ook horen: "Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet?", zegt God bij monde van de profeet. Wij mogen dat nu gaan zien, het begin van Gods barmhartige werkzaamheid in ons.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Toen Jezus enige dagen later in Kafarnaum was teruggekeerd
en men hoorde dat Hij thuis was,
stroomden de mensen in zulk een aantal samen,
dat zelfs de ruimte vóór de deur geen plaats meer bood
toen Hij hun zijn leer verkondigde.
Men kwam een lamme bij Hem brengen
die door vier mannen gedragen werd.
Omdat zij wegens de menigte geen mogelijkheden zagen
hem dicht bij Jezus te brengen,
legden zij het dak bloot
boven de plaats waar Hij zich bevond,
maakten er een opening in en lieten het bed
waarop de lamme uitgestrekt lag zakken.
Toen Jezus hun geloof zag zei Hij tot de lamme:
“Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.”
Er zaten enkele schriftgeleerden bij
en dezen zeiden bij zichzelf:
“Wat zegt die man daar?
Hij spreekt godslasterlijk!
Wie anders kan zonden vergeven dan God alleen?”
Uit zichzelf wist Jezus aanstonds dat zij zo redeneerden
en Hij zei hun:
“Wat redeneert gij toch bij uzelf?
Wat is gemakkelijker, tot de lamme te zeggen:
Uw zonden zijn u vergeven,
of: Sta op, neem uw bed op en loop?
Welnu, opdat ge zult weten dat de Mensenzoon macht heeft
op aarde zonden te vergeven, - sprak Hij tot de lamme -
Ik zeg u, sta op, neem uw bed en ga naar huis.”
Hij stond op, nam zijn bed
en voor aller ogen ging hij onmiddellijk naar buiten.
Iedereen stond er versteld van,
en ze verheerlijkten God en zeiden:
“Zoiets hebben wij nog nooit gezien.”

Homilie  

“Toen men hoorde dat Jezus thuis was, stroomden de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte vóór de deur geen plaats meer bood toen Hij hun zijn leer verkondigde."
Een samenscholing voor de deur van Jezus, voor de deur van Gods woning onder de mensen. Tussen al die mensen zoomt de camera in op een klein groepje, een viertal mannen, die op een soort brancard een lamme vervoeren, om hem bij Jezus te brengen. Toen dat vanwege de grote menigte niet lukte, legden zij het dak bloot boven de plaats waar Jezus was en lieten hem zo voor de voeten van Jezus zakken. In die huizen is dat heel eenvoudig, want ze waren tegen een helling aangebouwd. Je hoefde die helling maar op te lopen, - wat zelfs te doen was met die lamme - om, eenmaal boven op dat dak aangekomen, het gedeelte van dat dak te openen, dat zo gemaakt was om zware vrachten, bijvoorbeeld balen hooi, door die opening naar beneden te laten zakken. Wat ze normaal deden met het hooi, deden ze nu met hun lamme vriend.

De lamme is een beeld van het menselijk verval. Hij wordt liggend vervoerd, in plaats van dat hij rechtop loopt, zoals God hem geschapen heeft, hij wordt gedragen door vier mannen, in plaats van dat hij zich zelfstandig voortbeweegt. Hij kan nog minder dan een kind. In de Schrift worden lammen of kreupelen in één adem genoemd met een blinde. "Als ge een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit (Lc 14,13). “Haast je naar de straten en stegen van de stad en breng de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen hier binnen” (Lc 14,21). En Jezus zei tot de leerlingen: “Gaat aan Johannes zeggen wat gij hoort en ziet: blinden zien en lammen lopen" (Mt 11,5). De mismaakten, de kreupelen, de lammen etaleren de gevolgen van de zonden in brutale, uitdagende, kwetsende aanschouwelijkheid. Lamheid betekent dan ook méér dan alleen maar een lichamelijke ziekte, het is ook een geestelijke ziekte, dé geestelijke ziekte: de zonde.

Door de zonde raakt de mens verlamd. Hij komt niet meer buiten zijn eigen 'ik', hij zit aan zijn eigen 'ik' vast gekluisterd zoals een lamme aan zijn bed. Je raakt je geestelijk oriëntatievermogen kwijt, je weet niet meer waar je bent, je weet niet meer wat je zegt, wat je doet. De zonde maakt iemand ook besmettelijk. Hij kan anderen besmetten met zijn zonde, zoals een melaatse. Door de zonde ben je geïsoleerd als een dove, je hoort niet meer, er gaat niets meer bij je in.

De lamme leeft nog wel, hij vegeteert voort op dat beetje kracht dat hem nog rest. Als je hem dat beetje ook nog afneemt, is hij nergens meer, ook geestelijk niet. Ook al ben je niet lam, tenminste niet lichamelijk, en je zult dat misschien ook nooit worden, dan kun je je toch in dat levensgevoel van een lamme inleven. Bijvoorbeeld als je echt bidt, ben je eigenlijk als een lamme, je merkt het niet zo of het doet je niets, want je wórdt bewogen, zoals die lamme door zijn vier dragers. We noemen dat innerlijk leven, het leven van de ziel; maar als dat leven van de ziel - waarin je door God bewogen wordt - achterwege blijft, word je gehinderd door je bewegingsloosheid. Dan voel je je als een lamme. Ben je los van je 'ik', van je aardse 'ik', dan kun je bidden en word je geraakt door God, word je door Hem bewogen. Ben je niet los van je eigen 'ik', dan ga je je voelen als een lamme die zich wel wíl bewegen, maar het niet kán.

Hoe moet je dan bidden? Er staat: "Toen Jezus hun geloof zag …". Het gaat er blijkbaar niet om dat je niet kunt bidden, maar dat je ziet hoe Jezus met je te doen heeft. Waar let Jezus dus op? Niet op onze noodkreten, niet op de ernst van onze kwalen, maar op het geloof in de Geneesheer. Jezus zegt immers tegen die twee blinden die Hem luid schreeuwend volgden: "Geloven jullie dat Ik dat wonder kan doen?" (Mt 9,28). Hij let ook niet op de vernuftige wijze waarop die vier vrienden zich toegang tot Hem verschaffen - kan het niet door de deur, dan maar door het dak - maar Hij ziet het geloof  waarmee zij zich toegang verschaffen tot zijn goddelijk Hart. Ze hadden zeker opgemerkt hoe zich in dat Hart gevoelens van innig medelijden bevonden. Dat konden ze zien aan zijn blik, aan zijn zachte blik vol goedheid en medelijden, waarmee Hij doordringt tot op de bodem van hun hart, van hun pijnen en óók van hun zonden.

Wij mensen zien een verlamd lichaam, we zien uitwendige verlammingsverschijnselen, een gebrek aan communicatie, en wij zoeken daarvoor een uitweg met hulp van medicijnen, communicatietechnieken. Of, als de verhoudingen in de wereld zijn vastgelopen, zetten we vredesbewegingen op. Maar de dokter die Jezus is, dringt met zijn diagnose door tot in het hart, tot in de wortel van het kwaad en Hij doet er iets aan, Hij geneest het met zijn goedheid, met zijn barmhartige liefde, met zijn vergiffenis. Hij laat de mensen opnieuw beginnen. "Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet?"
Jezus is niet zoals de mensen, Hij is niet zoals die schriftgeleerden die bij zichzelf zeiden: "Wie anders kan zonden vergeven dan God alleen?" 'Dat kan toch niet!' Mensen redeneren: 'Eens een dief, altijd een dief.' Ze stereotyperen, komen altijd met hetzelfde aan. Die is zus en die is zo. Dat is hét teken van het ongeloof in de ander, die zodoende onmogelijk opnieuw kan beginnen.

Bij sommige mensen kun je nooit opnieuw beginnen. Ze blijven je er op aan kijken, ze zijn haatdragend, of er blijft altijd iets van achterdocht achter. Ze kunnen maar niet vergeven. Wat is vergeven eigenlijk? Vergeven is iemand een nieuw leven laten beginnen, iemand met een schone lei laten beginnen. Jezus laat in dit wonderverhaal zien dat niet de genezing op zich de hoofdzaak is en het vergeven iets bijkomstigs zou zijn. Nee, Hij begint met: "Uw zonden zijn u vergeven”, en pas daarna laat Hij, als teken van die inwendige genezing, de lamme opstaan door te zeggen: “Sta op, neem uw bed en ga naar huis." Dat is de uitwendige genezing, want de lamme stond op en nam zijn bed. Jezus wil laten zien dat vergeven zoiets is als iemand niet links laten liggen, iemand in de gelegenheid stellen mee te doen in dit leven, op te staan, mee te lopen. Vergeven is iets machtigs, het is iets goddelijks.

We denken misschien bij het vergeven van zonden direct aan de biecht. Dat is niet verkeerd, want het is goed om te horen dat God je zonden heeft vergeven, dat je van God weer mag meelopen, maar er gebeurt ook iets goddelijks wanneer wij een ander vergeven. Je vergeeft namelijk wat de ander je heeft aangedaan. Zo van: laat maar, laat maar gaan, zand erover. Je vergeet daarmee jezelf, je laat je betere ik spreken. Je doet, om zo te zeggen, God na, die een vergevende God is; je doet met God mee; je sluit je aan bij een vergevende God, die ook jou van binnenuit tot vergeving beweegt.

Soms kun je bij vergeven de ervaring hebben dat je het niet zelf doet, maar dat er een Ander, een Betere in je werkt, door wie er een andere, betere, verhouding ontstaat met de ander. Laten we ons aan Hem overgeven en Hem verheerlijken, die, zoals in het evangelie staat, zulk een macht gegeven heeft aan mensen op aarde, aan de Kerk, aan ons. Laten we meezingen, meebidden en mee-eten van het genadebrood, en alle wrokkige gedachten, alle kwade gedachten van ons afzetten, zodat iedereen er van ons mag bijhoren. Want wij vinden het zelf ook fijn dat wij er van God bij mogen horen.