Eerste lezing: Handelingen 7,55-60
Tweede lezing: Apokalyps 22, 12-14.16-17.20
Evangelie: Johannes 17,20-26
Inleiding
Op de zevende zondag van Pasen is de inleidingzang een uitnodiging om te luisteren: 'Exaudi.'
'Luister.' Wie moet er luisteren? God moet luisteren. 'Heer, luister naar mijn bidden en smeken. Naar U gaat mijn hart uit, U wil ik zien; uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen. Verberg mij uw aanschijn niet.' Als wij in de kerk zijn, maken wij ons los van elkaar, we kijken niet naar elkaar en wenden ons gelaat naar boven, naar de Heer die ons te boven gaat. Wij vieren in de eucharistie niet ónze onderlinge eenheid, maar we vieren Hem als de bron van onze eenheid. God gaat ons één maken! De eucharistie is niet een viering van onze onderlinge verbondenheid, eenheid of solidariteit; wij vieren eigenlijk dat wij het niet zo goed met elkaar kunnen vinden, dat wij de eenheid steeds afbreken, kapot maken, tekort doen, opdat wij van buiten onze wereld de onderlinge verbondenheid die wijzelf niet kunnen maken, van Hem mogen ontvangen. We maken niets zelf, het leven niet, de natuur niet, de schepping niet, onze heiligmaking niet en ook onze onderlinge eenheid niet. Die eenheid maakt Hij. We moeten Hem zoeken, want Hij verbergt Zich. We moeten Hem zoeken, net zo lang tot we afgestorven zijn aan alle eigenmachtige pogingen om het leven te maken en de eenheid met elkaar te maken. Dat is wat we aan het begin van ons aardse leven, maar ook aan het begin van ons geloofsleven als sacrament hebben ontvangen. Sacramenten ontvang je, ook die maak je niet zelf. Je gaat naar de Kerk om het sacrament te ontvangen, naar die gemeenschap die door God is gesticht en niet door de mensen. Daar, in de Kerk, ontvang je wat vader en moeder je niet kunnen geven: de eenheidmakende kracht die stand houdt door alle onenigheid en verdeeldheid heen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en bad:
Heilige Vader, niet alleen voor hen bid Ik,
maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven,
opdat zij allen één mogen zijn
zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U;
dat zij ook in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove,
dat Gij Mij gezonden hebt.
Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij geschonken hebt,
opdat zij één zijn zoals Wij één zijn:
Ik in hen en Gij in Mij,
opdat zij volmaakt één zijn en de wereld zal erkennen,
dat Gij Mij hebt gezonden
en hen hebt liefgehad, zoals Gij Mij hebt liefgehad.
Vader, Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt
met Mij mogen zijn waar Ik ben,
opdat zij mijn heerlijkheid mogen aanschouwen,
die Gij Mij gegeven hebt,
daar Gij Mij lief hebt gehad vóór de grondvesting van de wereld.
Rechtvaardige Vader, al heeft de wereld U niet erkend,
Ik heb U erkend,
en deze hier hebben erkend dat Gij Mij gezonden hebt.
Uw Naam heb Ik hun geopenbaard
en Ik zal dit blijven doen,
opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad,
in hen moge zijn en Ik in hen.
Homilie
Opdat allen één mogen zijn.
Opdat zij één zijn zoals Wij één zijn.
Opdat zij volmaakt één zijn." Jezus bidt hier om eenheid. Dat is eigenlijk het mooiste wat er is, dat velen één zijn gemaakt, één van ziel. Maar manifestaties van eenheid kunnen ook gevoelens van tegenzin bij ons opwekken. Wat schuilt er niet een dwang en een geweld achter zulke vertoningen van saamhorigheid bij militaire parades, bij massameetings, waar enkelingen zich steeds weer als massamensen laten manipuleren tot collectivistische gedragingen, de massamens die zijn waardigheid verliest in het nalopen van een leider, zich laat opzwepen tot uitzinnige ritmes van de diskjockey of in het stadion tot joelconcerten van afkeer of zelfs van haat of vreugdegejoel om een doelpunt van de favoriete club.
De eenheid waarom Jezus hier bidt, is niet een eenheid die ons van buitenaf wordt opgelegd, maar een eenheid die van binnenuit groeit, niet vanuit een liefdevol hart maar vanuit een zondig hart, vanuit onenigheid. Eenheid begint bij het bewustzijn van verdeeldheid. Het is eenheid die gebaseerd is op barmhartigheid, op liefde voor het zwakke, want Jezus bidt om eenheid, Hij vraagt erom. Je bidt niet om iets dat er al is. Jezus gaat uit van wat Hij aantreft: verdeeldheid, verscheurdheid. Want op welk ogenblik spreekt Jezus dit gebed tot eenheid uit? Dat was toch op de avond voor zijn lijden, voor zijn overlevering? Dat was toch toen Jezus bij het Laatste Avondmaal met zijn leerlingen aan tafel was en toen Hij zei: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, één van u zal Mij overleveren" (Joh 13,21). En het was toch ook nadat Petrus zijn bereidheid had uitgesproken dat hij zijn leven zou geven voor zijn Meester, en Jezus hem toen antwoordde: "Uw leven zult gij voor Mij geven? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: nog eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochend hebben" (Joh 13,38). Toen het op lijden aankwam, toen het er op aankwam voor Jezus uit te komen, verloochent Petrus zijn Meester en verloochent hij tegelijkertijd zichzelf een leerling te zijn van Jezus en daar heel zijn leven voor ingezet te hebben. Hij bezweert: "Ik ken die man niet over wie jullie het hebben" (Mc 14,71). En dat zegt hij precies op het moment dat Jezus voor de Hoge Raad zijn Messiaanse zending en zijn goddelijk zoonschap bekent en belijdt, op het gevaar af daarvoor met zijn leven te moeten boeten. Petrus verloochent zijn Meester uit angst zijn leven te verliezen en Jezus belijdt zijn Messiaanse zending zonder angst zijn leven te zullen verliezen. Een diepe, grondeloze onenigheid heerst er onder de leerlingen van Jezus. Eén is bereid Hem te verraden, Judas, en over te leveren aan zijn doodsvijanden, en de eerste van zijn leerlingen, die Hem als eerste heeft beleden, heeft Hem tot driemaal toe verloochend. Is er een grotere onenigheid denkbaar. Wat moet Jezus Zich grenzeloos eenzaam gevoeld hebben.
Het gebeuren van dat verraad en van die verloochening heeft zich in werking gesteld doordat de leerlingen hun zwakheid hebben verdrongen. Zwak zijn is op zichzelf geen probleem, zelfs niet de zwakheid van liefdeloosheid, van onenigheid, ja, zelfs niet die zwakheid van Petrus dat hij zijn Meester zou gaan verloochenen. Die zwakheid kan op zichzelf geen kwaad, als mensen zich daarvan maar bewust zijn, als zij hun zwakheid maar niet verdringen, als zij, eenmaal in zwakheid gevallen, er berouw over hebben.
Theresia van Lisieux heeft eens gezegd: 'Indien Petrus in plaats van te zeggen: "Meester, nooit zal ik U verloochenen", gezegd zou hebben: Meester, U kent mij beter dan ikzelf, U weet hoe zwak ik ben en hoe ik voor de minste druk zal bezwijken en U zal verloochenen, maar als U mij helpt, dan zal ik U niet verloochenen. Dan, zegt Theresia, zou Petrus zijn Meester niet verloochend hebben'.
Gelukkig heeft Petrus berouw getoond, want toen hij voor de derde maal zijn Meester had verloochend, kraaide er een haan. "Petrus herinnerde zich het woord van Jezus: Nog eer de haan kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen. Hij ging naar buiten en begon bitter te wenen" (Mt 26,75). En wat was Jezus' antwoord op de verloochening van Petrus? Hoe was Jezus' reactie? Dat komt ter sprake bij de aanstelling van Petrus tot opperherder. Petrus hoefde geen strafpreek te aanhoren, hij wist zelf al dat hij fout was geweest. Jezus maakte er hem geen verwijt van, Petrus had zelfverwijt. Hij verleent hem evenmin kwijtschelding van schuld, Hij was het al lang vergeten. Hij maakte hem niet tot voorwerp van psychologische analyse, zo van: je hebt het zo niet bedoeld. Met zijn driemaal herhaalde vraag geeft Jezus aan Petrus de kans zijn falen onder ogen te zien en met zijn schuld Jezus in de ogen te zien. Hij vraagt Petrus tot driemaal toe: "Heb je Mij lief? (Joh 21,15-18). Tot driemaal toe, omdat Petrus Jezus tot driemaal toe had verloochend. Toen Jezus hem voor de derde maal vroeg: Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?, werd Petrus bedroefd, omdat Hij hem voor de derde maal vroeg: Heb je Mij lief?, en hij zei Hem: Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U liefheb" (Joh 21,18).
Bij ons geloof hoort de herinnering aan de geschiedenis van Jezus, zijn sterven en verrijzen én in het bijzonder onze eigen menselijke zwakheid, onze schuld. Jezus houdt niet zomaar van ons, Hij houdt van ons met een barmhartige liefde, een liefde voor het zwakke, voor het gewonde, het gekwetste. En wij houden ook niet zomaar van Jezus, maar als zondige en vergeven mensen houden wij van Jezus met een berouwvolle liefde, met een grondeloos gevoel voor onze eigen grondeloze zwakheid.
Zo zijn onze eucharistievieringen geen vieringen van onze onderlinge eenheid, maar van zijn eenheid met ons in grondeloze verdeeldheid. Ja maar, zult u misschien zeggen, het is toch een maaltijd. Jawel, het is een maaltijd, maar het is een afscheidsmaaltijd. Jezus viert het op de grens van deze wereld, op de grens van leven en dood, Hij viert het vlak voor het aangezicht van zijn sterven. Eigenlijk is eucharistieviering niets anders dan bijeen zijn rond het sterfbed van Jezus. Zo'n plechtige, ingehouden, tot nadenken stemmende sfeer rond het sterfbed, daarvan moet iedere eucharistieviering iets hebben, zodat wij ons bewust kunnen worden wat er in de diepere diepte van ons menselijk bestaan eigenlijk gaande is en waarmee we in de luidruchtige omgang met onze medemensen buiten de sterfkamer, om het zo maar eens te zeggen, niet zo gemakkelijk voor de dag komen. We worden in ons bijeen-zijn rond de dood van Jezus uitgenodigd om alles in onszelf bewust te maken: onze eenzaamheid, armoede, leegte, verdriet, ons gebrek aan saamhorigheid, de zonden tegen de liefde, kortom alles wat we in de omgang met onze lieve medemensen in onze zelfgemaakte eenheidsvieringen geneigd zijn, of gedwongen zijn, te verdringen. Hier mag het, hier mag je het te berde brengen, hier mag je het op tafel brengen. Hij weet er immers van, zoals Hij wist van de verloochening van Petrus, zoals Hij wist van het verraad van Judas. Het is ook zíjn zorg en het is ook zíjn kruis. Hij heeft onze zonden, ook onze zonden aan eenheid, op het kruishout gedragen, zegt diezelfde Petrus. Dan weten wij dat Hij ons wil laten weten: Dit is mijn Bloed tot vergeving van de zonde. Dit is mijn Lichaam dat voor u wordt overgeleverd. Paulus zegt: "God, die mij heeft bemind en zich voor mij heeft overgeleverd" (Gal 2,20).
Eigenlijk vieren wij in de eucharistie het sterven van onze liefde, het teloorgaan van onze eenheid, en het steeds weer opgewekt worden door zijn grotere en sterkere liefde ten koste van zijn leven, van zijn barmhartige liefde. Het is een sterven met Hem om met Hem te leven. Onze dood wordt zijn deel en zíjn leven wordt ons deel!
Dat is ons heilig geloof en dat mogen wij nu ook gaan uitspreken in de geloofsbelijdenis.