Eerste lezing: 1 Johannes 4,7-10
Evangelie: Marcus 6,34-44
Inleiding
Van hoe ver kwamen de heilige Drie Koningen? 'Uit zo verre land.' En van waar komt de Heer die wij hier welkom heten? Hij komt van de hoge hemel. Hoe hoog? 'Van al zo hoghe, van al zo veer.' Hier worden de mogelijkheden van de Nederlandse taal gebruikt om dat wat met woorden niet is uit te drukken, het onbepaalbare, onaanwijsbare, onvoorstelbare aan te wijzen, uit te drukken, voor te stellen. Dat is de spanning waarin wij staan. Menselijke vormen, en wij vieren het onbepaalbare, we vieren de liefde van God. Onbepaald. God is liefde. De liefde van God, die zijn eigen Zoon heeft gegeven tot bevrijding van de zonde, gaat uit naar zondige mensen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd zag Jezus een grote menigte.
Hij gevoelde medelijden met hen,
want ze waren als schapen zonder herder;
en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.
Toen het al laat was geworden
kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden:
Deze plek is eenzaam en het is al laat.
Stuur hen weg om naar de hoeven en dorpen in de omtrek
te gaan en daar eten te kopen.
Maar Hij gaf hun ten antwoord:
Geeft gij hun maar te eten.
Zij zeiden Hem daarop:
Moeten wij dan voor tweehonderd denariën brood
gaan kopen om hun te eten te geven?
Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt ge?
Gaat eens kijken.
Na zich op de hoogte gesteld te hebben zeiden ze:
Vijf, en twee vissen.
Nu gaf Hij hun opdracht te zeggen
dat allen zich groepsgewijze zouden neerzetten
op het groene gras.
Zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig.
Hij nam de vijf broden en de twee vissen,
sloeg de ogen ten hemel,
sprak de zegen uit, brak de broden
en gaf ze aan zijn leerlingen
om ze aan de mensen voor te zetten;
ook de twee vissen verdeelde Hij onder allen.
Allen aten tot zij verzadigd waren.
Men haalde aan brokken en aan wat er aan vis
over was twaalf volle korven op.
Het waren vijfduizend mannen
die van de broden gegeten hadden.
Homilie
De mens zonder liefde kent God niet, want God ís liefde. Wíj zijn er aan gewend: God is liefde, maar in die tijd, in heidense oren moet dat wel heel wonderbaarlijk, heel bizar geklonken hebben. Wat zeiden ze toen over God, hoe dachten ze toen over God? Waar plaatsten zij Hem? Voor Aristoteles, die een onmetelijke invloed had tot in de middeleeuwen, tot sint Thomas van Aquino toe, is God de onbewogen beweger. Voor Plato, een andere Griekse filosoof, met net als Aristoteles een geweldige invloed tot diep in de middeleeuwen, via Augustinus, is God het idee achter alles. Je hebt de dingen en je hebt ook het idee van de dingen. God is van alles het idee. Voor een andere Griekse, Latijnse, Romeinse stroming is God de voorzienigheid, de Stoa, die alles leidt, alles in handen houdt. Voor weer anderen is Hij het noodlot, grillig, grimmig, zeer menselijk, met zeer klein-menselijke eigenschappen: wraakzuchtig, meedogenloos, onberekenbaar. Je moet hem te vriend houden, met sluwe zetten om de tuin leiden, hem te slim af zijn. Zijn vriendschap met offers kopen. En daar tegenover: God is liefde. Liefde maakt zwak. Liefde maakt afhankelijk, liefde maakt kwetsbaar.
Een minnaar is iemand die een ander nodig heeft. Ik kan niet zonder je, zegt de minnaar. Ik heb je nodig. Ik mag je graag lijden, maar daar zit ook het woordje 'lijden' in. Er is een zacht plekje in mijn hart voor jou. Je bent nooit uit mijn gedachten. Allemaal dwaze woorden, die mensen zeggen wanneer ze verliefd zijn, wanneer ze liefhebben en dat ook echt menen. En dat in God. Nog op het kruis zegt Jezus: 'Ik heb dorst.' Mensen die van Jezus houden zeggen: dat is nu Jezus. Hij dorst naar ons. Hij dorst naar mijn liefde. En als God niet alleen liefde heeft, maar liefde is, wil dat zeggen dat er van die prachtige eigenschap een goddelijke hoeveelheid is, een onuitputtelijk bron. Dat Hij oneindig liefheeft. Overal waar God is, en God is overal, daar is liefde. Hij is er niet zomaar ten aanzien van de mensen, ten aanzien van de schepping, Hij is er met liefde, met de inzet van zijn hart. Elk ding, elke mens, elke persoon, hoe groot of klein ook, wordt uit de neutraliteit van het zakelijke, objectieve, weggeroepen naar een 'gij', naar een 'jij'. Zoals we begonnen: 'Jesu, lieve Heer', zo spreekt God heel de schepping aan, ieder ding, iedere mens, iedere persoon afzonderlijk. Het raakt maar niet op, zoals bij de broodvermenigvuldiging. Ze waren verzadigd en toen was er nog over. Dat is voor wie na hen zouden komen. Er was iets over, voor ons.
Waarom moest Hij precies weten hoeveel broden er waren? "Hoeveel broden hebt ge? Gaat eens kijken." Precies zoals wij mensen dat zeggen. Waarom wil Hij dat weten? Hij heeft onze zwakheid nodig. Alles wat we hebben. Dat is misschien maar een klein beetje, het lijkt helemaal niets, maar Hij heeft dat hele kleine beetje nodig om daaraan het grote wonder van zijn liefde te verbinden. Een schamele mondvoorraad hadden ze meegenomen, een paar broodjes, de één een beetje meer dan de ander. Alles waar ze van leven moesten, zorgvuldig bewaard, gekoesterd, dat is van mij. Ze moeten het afgeven. Zoals die arme weduwe: alles waarvan ze leven moest. Dat niet eens voor jezelf willen houden. Hij gaat er iets van maken. God is liefde. Zouden wij niet moeten zeggen: God is eucharistie, uitdelende liefde, barmhartig liefde. Hij kijkt naar heel die menigte. "In die tijd zag Jezus een grote menigte en Hij gevoelde medelijden met hen." Hij doorziet hoe ze zijn, levend als schapen zonder herder. Als mensen zonder God, als mensen zonder liefde, want God is liefde. Een mens zonder liefde, wat is dat erg. Maar een mens zonder God, een mens die de liefde van God niet in zich toelaat, dat is nog veel erger.