Donderdag in de achtste week
       van het even jaar
                    Octaafdag van Sacramentsdag
                                (eigen lezingen)


Eerste lezing: Spreuken 9,1-6 [B 167];
Evangelie: Lucas 24, 13-35 [ABC 79b]


Inleiding    

De laatste dag van het octaaf van Sacramentsdag, zeven volle dagen hebben we dit feest gevierd. Het getal van de volmaaktheid vol gemaakt. Hij is dus echt altijd bij ons. Hij wijkt niet meer van onze zijde. Hij geeft Zich helemaal en dus ook voor altijd. Dat wordt vandaag op deze wijze gevierd. Hij is de Aanwezige, dat is zijn Naam: 'Hij-is-die-is'. Hij is er voor ons. Als je Hem die naam mag geven: 'Hij-die-er-is', zou je van de mensen kunnen zeggen: 'zij-die-er-niet-zijn'. U bent hier allemaal wel, maar bent u er ook echt, zoals Hij er is? Helemaal voor de ander? Bent u er ook voor Hem? Dat is wat wij aan het begin van deze eucharistie willen belijden, dat Hij, die er wel is voor ons, in ons zo'n afwezige gast aantreft.


Het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd waren er twee van de leerlingen van Jezus
op weg naar een dorp dat Emmaüs heette
en dat ruim elf kilometer van Jeruzalem lag.
Ze spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen.
Terwijl ze zo aan het praten waren en van gedachten wisselden,
kwam Jezus zelf op hen toe en liep met hen mee.
Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.
Hij vroeg hun:
“Wat is dat voor een gesprek dat ge onderweg
met elkaar voert?”
Met een bedrukt gezicht bleven ze staan.
Een van hen, die Kleopas heette, nam het woord en sprak tot Hem:
“Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem,
dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?”
Hij vroeg hun: “Wat dan?”
Ze antwoordden Hem: “Dat met Jezus, de Nazarener.
Een Man die profeet was, machtig in daad en woord
in het oog van God en van heel het volk.
Hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd
om Hem ter dood te laten veroordelen
en hoe ze Hem aan het kruis hebben geslagen.
En wij leefden in de hoop,
dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen.
Maar met dit alles is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn.
Wel hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht.
Ze waren in de vroegte naar het graf geweest,
maar ze hadden zijn lichaam niet gevonden.
En ze kwamen zeggen dat ze ook nog een verschijning van engelen hadden gehad,
die verklaarden dat Hij weer leefde.
Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan
en zij bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden.
Maar Hem zagen ze niet.”
Nu sprak Hij tot hen:
“O, onverstandigen die zo traag van hart zijt
in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben.
Moest de Messias dat alles niet lijden
om in zijn glorie binnen te gaan?”
Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten
wat in al de schriften op Hem betrekking had.
Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heengingen,
maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan.
Ze drongen bij Hem aan:
“Blijf bij ons want het wordt al avond en de dag loopt ten einde.”
Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven.
Terwijl Hij met hen aanlag
nam Hij brood, sprak de zegen uit,
brak het en reikte het hun toe.
Nu gingen hun de ogen open en zij herkenden Hem.
Maar Hij verdween uit hun gezicht.
Toen zeiden ze tot elkaar:
“Brandde ons hart niet in ons,
zoals Hij onderweg met ons sprak
en ons de Schriften ontsloot?”
Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug.
Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen.
Dezen verklaarden:
“De Heer is werkelijk verrezen.
Hij is aan Simon verschenen.”
En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was
en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood.

Homilie    

“Wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen."
Maar Jezus had het hun toch voorzegd? Hij had zijn lijden toch voorspeld, tot in details, tot het einde toe. En niet eenmaal, maar tweemaal, driemaal! En niet alleen alles wat Hem zelf zou overkomen, maar ook nog de weg van de leerling. "Een leerling staat niet boven zijn meester (Mt 10,24). “Wie Mij volgt moet zichzelf verloochenen en zijn kruis op zich nemen" (Mt 16,24). Je zou kunnen zeggen, Hij heeft hen niet overtuigd, zijn woorden hebben hen niet overtuigd. Geen woorden maar daden. Maar wezen zijn daden niet in dezelfde richting? Hoe ging Hij met zijn vijanden om? Hij verdedigde Zich niet, was altijd bereid om te vergeven en opnieuw te beginnen. Dat hield Hij ook zijn leerlingen voor, niet de grotere willen zijn, maar de kleinere, de minste; en vergeven tot zeventig maal zeven maal. En ze hadden het toch ook in de Schriften kunnen lezen?

De weg die Jezus ging en de weg die Hij wees, gaat diametraal tegen de menselijke logica in. Menselijke overwegingen staan er zo loodrecht op, dat de leerlingen het niet konden plaatsen. Ze begrepen het niet, die woorden bleven hun duister, wat Hij zei konden zij niet volgen (vgl. Lc 18,34). Zij konden het niet alleen niet begrijpen, maar hun reactie was het tegenovergestelde. Bij elke lijdensvoorspelling waarin Jezus hun zijn weg omlaag wees, gingen zij onmiddellijk daarna de weg omhoog, hadden ze een woordenwisseling over wie de grootste was, hadden ze ruzie over de ereplaatsen. Tot en met het Laatste Avondmaal toe. Wat zij tenslotte uit Jezus' doen en laten en uit zijn woorden overhielden, was - dat hebt u zo-even in de evangelielezing gehoord - dat Jezus de Nazarener "een Man was, machtig in daad en woord in het oog van God en van heel het volk."

Je zou haast zeggen: het was gewoon noodzakelijk dat Jezus stierf, dat Hij aan alle twijfel een einde maakte, dat Hij het niet bij woorden liet en bij daden, maar dat Hij ten slotte ook de uiterste daad stelde. Zo lang Hij die laatste daad nog niet gesteld had, zouden de leerlingen nog altijd kunnen zeggen: 'Je weet maar nooit of Hij, als Hij voor de allerlaatste beproeving zou staan, dan ook zo zou reageren.' Er was behoefte aan een onmiskenbare, onherroepelijke, niet meer ongedaan te maken uiterste consequentie van zijn weg.

Dat is de reden waarom ons in de eucharistie niet alleen het Lichaam van Christus wordt gegeven. Dat is eigenlijk al veel, dat is eigenlijk al alles, dat is al heel het leven van de mens zoals hij het in zijn lichaam beleeft, maar Jezus wil niet alleen zijn Lichaam geven, maar ook zijn Bloed, dat Bloed dat is vergoten door geweld. Dat is het einde, het allerlaatste, de uiterste consequentie, het is Hem ernst, bloedige ernst.

"Ze herkenden hem aan het breken van het brood." Dat is typisch een handeling voor Jezus, een handeling met een diepere betekenis en daarom zo veelbetekenend, een teken voor Jezus, omdat Hij in het breken van het brood zijn Lichaam breekt, zijn lichamelijk leven en zijn Hart breekt, om het zo uit te storten, uit te laten stromen, om zo de wereld vol te laten lopen met zijn liefde. Dat is wat we in de eucharistie vieren en dat is het bijzondere van zijn aanwezigheid. Hij is er niet zomaar, Hij is er voor ons, Hij is er met zijn liefde, met zijn alles gevende liefde.