Maandag in de achtste week
      van het even jaar
                         Heilige Gregorius VII, paus
                Heilige Magdalena de Pazzi, maagd
                       Heilige Filippus Neri, priester


Eerste lezing: 1 Petrus 1,3-9 [III 85]
Evangelie: Marcus 10,17-27 [III 86]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd toen Jezus Zich op weg begaf,
kwam er iemand aanlopen
die zich voor Hem op de knieën wierp en vroeg:
“Goede Meester, wat moet ik doen
om het eeuwig leven te verwerven?”
Jezus antwoordde:
“Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.
Ge kent de geboden:
Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen,
gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen,
gij zult niemand te kort doen, eer uw vader en uw moeder.”
Hij gaf Hem ten antwoord:
“Dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.”
Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak:
“Een ding ontbreekt u:
ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen,
daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel.
En kom dan terug om Mij te volgen.”
Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen,
omdat hij vele goederen bezat.
Toen liet Jezus zijn blik gaan over zijn leerlingen en zei tot hen:
“Hoe moeilijk is het voor degenen die geld hebben
het Koninkrijk Gods binnen te gaan!”
De leerlingen stonden verbaasd over wat Hij zei.
Daarom herhaalde Jezus:
“Kinderen, wat is het moeilijk
het Koninkrijk Gods binnen te gaan.
Voor een kameel is het gemakkelijker
door het oog van een naald te gaan,
dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.”
Toen waren ze nog meer verbijsterd en ze zeiden tot elkaar:
“Wie kan dan nog gered worden?”
Jezus keek hen aan en zei:
“Dit ligt niet in de macht der mensen,
maar wel in die van God:
want voor God is alles mogelijk.”

Homilie    

Een evangelie van kijken en voelen. Het gaat er heel gevoelvol aan toe. Bij de rijke man zijn het aanvankelijk enthousiaste gevoelens: hij komt aanlopen en werpt zich op zijn knieën. Dat waren gebaren die bij de Joden nog veel minder gewoon waren dan bij ons. En hoe gevoelvol is diezelfde man aan het einde: "Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen." Sterke gevoelens zijn meestal ik-betrokken, ze kunnen maar al te gemakkelijk de diepere, op God betrokken gevoelens van vertrouwen en geloof blokkeren. Ook als die gevoelens positief zijn zoals bij deze man. Dat blijkt al aan zijn manier van aanspreken: "Goede Meester" Meteen voelt Jezus het ongeordende in de man. Wat Jezus in zijn manier van aangesproken worden opvalt, is de wereldse manier van omgaan met geschapen goedheid. De man blijft aan de buitenkant hangen. De goedheid van Jezus is voor hem niet doorzichtig, transparant naar de goedheid van God, de bron van alle goedheid. "Goede Meester”, meteen heeft Jezus de man door: “Waarom noem je Mij goed? Niemand is goed dan God alleen." Jezus wordt door de man verafgood. Hij wordt door hem op een dweperige manier benaderd. Hij ziet Jezus niet als de Zoon van God, maar als zelf goddelijk, als zelf een bron van goedheid. En zo'n manier van omgaan met de schepselen gaat altijd met veel gevoel gepaard: gevoelens van zorg en verdriet bij gevaar je bezit te verliezen, gevoelens van verknochtheid met gevolg ermee verstrooid te zijn, gevoelens van jaloezie, van minderwaardigheid bij vergelijking met wat anderen méér hebben, gevoelens van trots als je bezit groter is dan van je naaste. Allemaal gevoelsbewegingen bij losgeslagen stukjes schepping: bij een Jezus los van zijn Vader, bij de eigen goederen waarvan de man er vele van bezat. Wat de rijke man deed met Jezus: 'dwepen', dat deed hij ook met zijn goederen: 'dwepen'. Hij was er gek mee, hij verafgoodde ze. Hij zag ze niet als gaven van de Schepper, als tekenen van Gods liefde, zoals hij eerder in het verhaal Jezus niet zag als Zoon van de Vader, als voortkomend uit en verwijzend naar de Bron van alle goedheid.

De schepping bevat een geheim, elk schepsel - toegerust met vrije wil of niet - elk schepsel, mens, dier, plant of steen bevat een geheim, en dat geheim is dat het door God persoonlijk in het bestaan is geroepen, door God persoonlijk in het bestaan gehouden; God is in eigen persoon bezig met elk schepsel. Jezus zegt: "Kijk maar naar de leliën in het veld: uw hemelse Vader voedt ze.” En hoe!? “Zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen" (Mt 6,28-29).

Ontneem je het geheim van Gods liefde aan je bestaan, dan haal je het fundament weg uit je leven, dan wordt je leven een ruïne, vroeg of laat. Als de schepping niet meer doorzichtig voor je is naar God toe, dan ga je je rijkdom zoeken bij de mensen. Maar die zullen je teleurstellen. En als je het bij de mensen niet vindt, ga je het zoeken bij de dingen, in genoegen of studie, of reizen. Als dat niet meer gaat, dan heb je helemaal niets meer. Misschien dat je het dan gaat zoeken binnen in je, zoals de heilige Augustinus: 'Laat heb ik U bemind, Schoonheid, zo oud en zo nieuw, laat heb ik U bemind. Ach, Gij waart binnenin en ik was buiten. Daar zocht ik U en ik begreep niet de zin van de mooie dingen die Gij hebt gemaakt. U was bij mij, maar ik niet bij U. Al die dingen die niet eens zouden zijn, als ze niet waren in U, hielden mij ver weg van U.'

Hoe gaat Jezus nu met iemand om die zo in de greep is geraakt van de goederen van deze wereld? Gaat Hij er met strengheid tegen aan? Of gaat Hij hem spreken over de goedheid van God, zoals Hij al meteen bij het begin van de ontmoeting deed: "Niemand is goed dan God alleen." Of begint Hij over de betrekkelijkheid van al het aardse, zoals Hij andere keren deed, toen Hij erop wees, dat die aardse schatten door roest, worm en mot zullen vergaan en dat dieven ze kunnen stelen. Hij verwees er wel even naar, door te spreken van een schat in de hemel: "Ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten." Dit keer vindt Jezus een andere weg: Hij spreekt niet met woorden over de liefde van God, maar Hij laat de man zijn liefde vóelen: "Toen keek Jezus Hem liefdevol aan." De rijke man zag hoe Jezus' oog begon te glanzen van genegenheid, hoe zijn blik warm werd van aandoening, van gevoelvolle liefde. Dat is wat God altijd doet, wanneer Hij mensen tot een of andere taak oproept. Eerst laat Hij ons zijn liefde voelen. Eerst maakt Hij door de heilige Geest ons hart open en ontvankelijk voor zijn roep. Zo deed God bij Maria: "Verheug u, begenadigde, de Heer is met u.” ... “Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God" (Lc 1,28 en 30). Juist die voelbare gewaarwording van Gods liefde trekt mensen over de streep, om Hem te volgen en alles eraan te geven. Jezus zelf heeft er Zich door laten helpen, toen Hij in de hof van Olijven vocht met de wil van zijn Vader: "Er verscheen Hem een engel uit de hemel om Hem te sterken" (Lc 22,43).

Maar de liefde uit zich niet alijd in gevoel, in affectieve betuigingen van genegenheid. We moeten ons realiseren, dat Jezus bij dit gebeuren op weg was naar Jeruzalem, op weg om zijn leven te geven voor de mensen, voor de rijke man. De liefde droeg al zijn woorden en daden. Die liefde is er altijd, maar roept God een mens tot een algehele overgave van zichzelf, dan laat Hij zijn liefde niet alleen blijken, maar laat Hij ze ook hevig voelen om het de geroepene gemakkelijker te maken met de roeping in te stemmen en er zich aan over te geven. Maar dit keer is het Hem niet gelukt: Jezus' liefdevolle blik bereikte wel de ogen van de rijke man, maar niet zijn hart. Dat hart was vervuld van een andere liefde, eigenliefde, liefde voor de aardse goederen: "Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen." Hij geloofde meer in het bergende vermogen van zijn vele goederen dan in de geborgenheid schenkende kracht van Jezus' goddelijk Hart.

Dat is het probleem van de rijken. Zij hebben zoveel van Gods scheppingsgaven, dat zij dreigen niet meer open te staan voor de liefde waarmee God die gaven geeft. De gaven hebben niet meer zo sterk die naar Gods liefde verwijzende kracht: "Toen liet Jezus zijn blik gaan over zijn leerlingen en zei tot hen: Hoe moeilijk is het voor degenen die geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan." Want om het Koninkrijk Gods binnen te gaan, om je de Gever zelf te kunnen laten schenken, moet je zijn gaven loslaten. Wie veel heeft, en er niet onthecht mee omgaat, krijgt grote moeite met het loslaten. Hij gaat bij het sterven zich voelen als een zwaar beladen kameel die door het naaldenoog heen moet. In tijden van oorlog sloot Jeruzalem alle poorten van de stad op één na. Ook die ene werd helemaal met planken dichtgetimmerd zodat er vanuit de verte gezien niet meer openbleef dan een naaldenoog. Als er dan een kameel door zo'n tot een naaldenoog vertimmerde stadspoort moest, dan speelde zich er het tafereel af, dat Jezus voor de geest kwam, wanneer Hij een rijke, zwaar beladen met al zijn rijkdommen, de hemelpoort zag binnengaan: de kameel moest eerst al zijn lasten afleggen, het beest moest vervolgens op zijn knieën en werd dan met behulp van veel mankracht door de poort heen gesjord.

"Toen waren ze nog meer verbijsterd en ze zeiden tot elkaar: “Wie kan er dan nog gered worden? Maar het reddingbrengende geloof is niet een werk van mensen, maar van God, zegt Jezus: “Dat ligt niet in de macht van de mensen maar wel in die van God." En wat ligt niet in de macht van de mensen? De geschiedenis van God met de mensen begon met zo'n machteloos makende opgave: vruchtbaarheid van een oude man en een oude vrouw die het niet meer ging naar de wijze van de vrouwen. De gedachte alleen al bracht Sara aan het lachen. Maar de Heer zei tot Abraham: "Waarom lacht Sara en vraagt zij zich af: Zou ik op mijn leeftijd werkelijk nog een kind krijgen? Is er voor de Heer dan iets te moeilijk? (Gen 18,9-15). Jezus geeft hetzelfde antwoord op de onthutsing van zijn leerlingen: “voor God is alles mogelijk."

Wie in onze dagen, in een maatschappij als de onze geloof aantreft, iemand die leeft uit zijn geloof, maakt een geloofswonder mee: iets wat menselijker wijs gesproken onmogelijk is, maar door Gods genade mogelijk gemaakt. Want mensen in een welvaartsstaat als de onze zijn rijker dan mensen ooit in de geschiedenis zijn geweest, met méér zekerheid, méér veiligheid, méér keuzevrijheid, méér comfort, betere levensvoorwaarden, betere gezondheidszorg en dan toch geloven in Gods liefde voor hem persoonlijk, dat is ongelofelijk, dat is een kunstwerk van God, dat is pure genade.

Wie er zich van bewust is, dat hij dit geloof niet heeft, kan toch met de eucharistie verder gaan, want daar heeft hij deel aan het geloof van de Kerk zoals wij na het Onze Vader bidden: "Let niet op onze zonden, maar op het geloof van de Kerk."