Vrijdag in de achtste week
    van het even jaar
                            Hoogfeest van het heilig Hart van Jezus


Eerste lezing: Deuteronomium 7,6-11 [A 110a]; antwoordpsalm: Psalm 103,1-2.3-4.6-7.8.10 [A 110a];
tweede lezing: 1 Johannes 4,7-16 [A 111a]; vers voor het evangelie: Matteüs 11,29ab [A 112a]
Evangelie: Matteüs 11,25-30 [A 112a]  


Inleiding  

De Kerk nodigt ons uit Jezus' Hart met een hoogfeest te vieren. Dat is niet zo eenvoudig. Bij andere feesten is er meer te zien en te horen, met het gevaar dat je bij de buitenkant blijft stilstaan, bij: 'Lieflijk Kindje met goud in het haar', bij: 'De Man die profeet was, machtig in daad en woord, of bij: 'O Hoofd vol bloed en wonden.' Dat gevaar is groter naarmate wijzelf meer aan de buitenkant leven. Mensen met een grote mond hebben dikwijls weinig hart voor wie of wat dan ook. Iemand die zijn eigen hart overschreeuwt, is er niet op ingesteld naar het hart van de ander te luisteren. En wordt zelfs de liturgie niet een oppervlakkige vertoning als het hart er niet bij is? Is het niet zo, dat toen de harten van de mensen begonnen te verkoelen, Jezus het tijd vond worden de geheimen van zijn eigen Hart te openbaren? Is het ook niet zo, dat wij ons een beeld vormen van God en dus ook van het Hart van God, naar de ondervindingen die wij hebben met de harten van de mensen? Echter, als de harten van de mensen verkoelen, lopen wij het gevaar, dat wij ook achter alles wat God doet, een koel hart bedenken. En om dat te voorkomen, heeft God de liefde van zijn goddelijk Hart geopenbaard.
Belijden wij dan eerst de tekorten van ons eigen hart, onze eigen harteloosheid, om zo de barmhartige liefde van zijn Hart opnieuw over ons te laten komen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs


Op zeker ogenblik nam Jezus het woord en sprak:
“Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen
verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen,
maar ze hebt geopenbaard aan kinderen.
Ja, Vader, zo heeft het U behaagd.
Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven.
Niemand kent de Zoon tenzij de Vader,
en niemand kent de Vader tenzij de Zoon
en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren.
Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken.
Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij:
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart
en ge zult rust vinden voor uw zielen,
want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”

Homilie  

Het klinkt wel erg dreigend wat wij in de eerste lezing hoorden: "Allen die Hem verwerpen straft Hij in hun eigen persoon, hen persoonlijk.” En nog eens: “Hij wacht niet: iemand die Hem verwerpt, straft Hij, hem persoonlijk." De straf is persoonlijk, niet de hele gemeenschap, niet de hele familie wordt gestraft, maar alleen die ene die zich van Hem heeft verwijderd, want de liefde is ook persoonlijk. Wat een verschil of een mens persoonlijk wordt behandeld, benaderd, of zakelijk. Maar ook: wat een verschil als God persoonlijk wordt gediend met het hart, van binnenuit, of omdat het moet, of omdat anderen vinden dat het moet, of uit angst voor straf.

Het boek Jeremia vertelt, hoe God zijn bekommernis om de mensen, zijn wetten, zijn geboden, zijn woord, in het hart zou willen schrijven. Steeds weer hebben zij het verbond verbroken, het verbond dat Hij met hen persoonlijk gesloten had. Hij bleef het trouw, maar zij konden of wilden Hem niet trouw zijn. Ze konden het eenvoudig niet laten om steeds weer eigen wegen te gaan, hun eigen wil te doen, afgoden na te lopen, een god te aanbidden naar eigen bedenksel. Maar in de donkerste tijd van de ballingschap stelt de profeet een nieuw verbond in het vooruitzicht. God herroept zijn verbond niet, nee, Hij laat het anker van zijn trouw nog dieper zinken. "Dit is het nieuwe verbond dat Ik in de toekomst met Israël sluit: Ik schrijf mijn wet in hun binnenste, Ik grif ze in hun hart" (Jer 31,33). Een hart helemaal naar de wil van God. Een hart waarin het beeld van God oplicht, onvervalst, stralend. Bestaat er zo'n hart? Eens is er zo'n hart geweest, het Hart van Jezus. In Hem is Gods levende woord tot natuur geworden, in Hem is er niet de geringste tegenspraak tot de wil van God, in Hem wordt het verbond van God met de mens, dat begonnen is als een eenzijdig verbond, - God heeft het initiatief genomen toen er van de mens nog niets was, - in Hem wordt dat eenzijdige verbond van God met de mensen tot een tweezijdig verbond. Er ontstaat iets in de mens naar God toe. Wat van God uit begonnen is, wordt door de mens in zijn eigen hart opnieuw geboren. Is dat niet het mooiste wat wij ons kunnen denken in de verhouding met mensen? Ouders hebben een kind gekregen. Ze geven alles wat ze maar te geven hebben, maar ze zijn pas tevreden als het kind glimlacht. De eerste glimlach van een kind is goud waard. Een kind heeft een innerlijk, het heeft het vermogen om op te nemen, om liefde op te nemen, het heeft een hart, het kan beminnen.

En wat doen wij? Wij doen wel van allerlei in de verhouding met God, wij prijzen zijn Naam, we danken voor zijn goedheid, wij ontvangen zijn woorden, we aanvaarden zijn zelfgave, maar wat laat het in ons achter? Wat blijft er in ons hart hangen? Ontstaat er iets in onszelf, waardoor wij persoonlijk, van binnenuit doen, wat wij in de vieringen doen?

In de menselijke verhoudingen kunnen mensen elkaar van alles en nog wat aandoen. Soms denk je: heeft die ander wel een hart? Draait het niet allemaal om zichzelf? Doet hij het alleen maar uit plicht, omdat ze het allemaal doen, omdat je anders straf krijgt? Doen de mensen het niet allemaal om er zelf beter van te worden, of om iets terug te krijgen? Maar als er dan na een hard woord, na een onverkwikkelijk gebeuren, een woord van vergeving valt, een woord van verontschuldiging, een gebaar van verzoening, dan is de verhouding beter dan vóór dat onverkwikkelijke gebeuren. Zo is het ook in onze verhouding met God. We hebben het er niet naar gemaakt, we hebben het niet verdiend, maar als we berouw hebben en zeggen: 'Heer, ontferm U over ons', dan ontstaat er een nieuwe verhouding, die beter is, dieper, schoner, voller, zuiverder, dan vóór onze zondeval. Dat is wat de liefde van Jezus' goddelijk Hart doet.  

Die liefde, de liefde van zijn goddelijk Hart, kunnen we alleen leren bij Hem. "Leert van Mij, Ik ben zachtmoedig en nederig van hart." Bernardus zegt: 'Open ligt het geheim van zijn Hart, open ligt het grote mysterie van liefde, open ligt het innerlijk van Gods barmhartigheid, want ligt door de wonde zijn hart niet open? Waar toch is zo helder aan het licht getreden als in uw wonden, dat Gij, Heer, goed zijt en genadig en groot in barmhartigheid.'
We mogen het elke keer opnieuw horen, in de eucharistie mogen we elke keer weer vieren, dat Hij kwaad beantwoordt met goed, groter kwaad beantwoordt met groter goed, en als het kwaad ook in ons hart tot het uiterste gaat, beantwoordt Hij dat grootste kwaad met het allergrootste goed. In de eucharistie geeft Hij ons een teken van zijn liefde tot het uiterste toe.