Donderdag in de achtste week
       van het even jaar
                     Heilige Augustinus van Canterbury


Eerste lezing: 1 Petrus 2,2-5.9-12
Evangelie: Marcus 10,46-52


Inleiding  

Wij zongen in het openingslied: 'Jezus, priester is Hij, de eeuwen door. Hij zal met zijn heersersstaf doordringen tot diep in het vijandelijk land.' Dat heeft Hij gedaan door deze Augustinus, van wie wij vandaag de gedachtenis vieren. Niet Augustinus de kerkleraar, maar Augustinus van Canterbury, bisschop in het gebied van de Angelsaksen. Hij werd als prior van het benedictijnerklooster in Rome door paus Gregorius I uitgezonden om bij de Angelsaksen de Kerk te vestigen. Een dertigtal monniken ging met hem mee. Maar onderweg, reizend door Frankrijk, hoorde Augustinus zulke verschrikkelijke verhalen over de Angelsaksische koningen en hun wreedheden tegenover vreemdelingen, dat zij besloten terug te keren en de missie terug te geven aan de paus. De paus heeft hen bevestigd, vertrouwen geschonken, bemoedigd, van brieven voorzien, en Augustinus tot bisschop gewijd. Daarna zijn ze voor de tweede keer op weg gegaan en toen is het gelukt. Ze hebben in Engeland 'het Rome van het Noorden' gesticht. De plaats waar tot op heden de Engelse koningen worden begraven, is gesticht door Augustinus. Onze landen werden gemissioneerd vanuit datzelfde Engeland. In de zevende eeuw is het al zo ver dat Willibrordus, ook een benedictijn, vanuit datzelfde Engeland naar onze streken oversteekt. Jezus is priester, de eeuwen door. Hij dringt met zijn roepstem, met zijn liefde, diep door tot in het vijandelijke land.
Ook in ons zijn er nog gebieden waar verzet is tegen het woord van God, tegen zijn liefde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd toen Jezus, vergezeld van zijn leerlingen en een flinke menigte,
uit Jericho wegtrok,
zat een blinde bedelaar, Bartimeüs, de zoon van Timeüs,
langs de weg.
Zodra hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was,
begon hij luidkeels te roepen:
“Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!”
Velen snauwden hem toe te zwijgen, maar hij riep nog veel harder:
“Zoon van David, heb medelijden met mij!”
Jezus bleef staan en zei:
“Roept hem eens hier.”
Ze riepen de blinde toe:
“Heb goede moed! Sta op, Hij roept u.”
Hij wierp zijn mantel af, sprong overeind en kwam naar Jezus toe.
Jezus vroeg hem:
“Wat wilt ge dat Ik voor u doe?”
De blinde antwoordde Hem:
“Rabboeni, maak dat ik zien kan!”
En Jezus sprak tot hem:
“Ga, uw geloof heeft u genezen.”
Terstond kon hij zien en hij sloot zich bij Hem aan op zijn tocht.

Homilie  

“Wat wilt ge dat Ik voor u doe?”
Vandaag vraagt Jezus dat aan de blinde; gisteren vroeg Jezus dat aan de twee leerlingen Johannes en Jakobus: “Wat wilt ge dan dat Ik voor u doe?" Een ontmoeting, een vraag, een smeekgebed door mensen die bezield zijn door een bepaalde geest. En ze worden omringd door mensen met een bepaalde geest. Die twee leerlingen bijvoorbeeld, worden omring door andere leerlingen die met hen om de voorrang strijden, want "toen de tien anderen dit hoorden, werden ze kwaad op Jakobus en Johannes." Ook de blinde bedelaar wordt omringd door mensen die kwaad zijn. Ze snauwden hem toe: Zwijg! Weg jij!

Het is een strijd van geesten, van goede en kwade geesten. De geest van de blinde bedelaar, machtig aangetrokken, aangezogen door zijn geloof in Jezus, bezield door een goede geest. Zoals die rijke man op weg naar Jezus toe voor Hem neervallend op zijn knieën, bezield was door een goede geest. Zoals mensen die bezield zijn door een goede geest dat in hun stemgeluid laten horen, in het aanzwellen van hun stemgeluid. "Hij riep nog veel harder.” Zijn menselijk vermogen wordt bezield door een goddelijk kracht. Maar om hem heen is er een strijd van geesten. “Velen snauwden hem toe te zwijgen," ze vielen tegen hem uit. We hebben dat al meer gehad in het evangelie van Marcus waaruit we deze maanden lezen.

"Velen snauwden hem toe te zwijgen”, zoals Jezus optreedt tegen de onreine geest: “Jezus voegde hem dreigend toe: Zwijg stil en ga uit hem weg” (Mc 1,25). En tegen de storm en het water. “Zwijg, stil” (Mc 4,39). Hij trad tegen hen op, zoals Hij optrad tegen Petrus, tegen Petrus' geloof en belijdenis in een macht zonder verworpenheid: “Hij voegde Petrus op  strenge toon toe: Ga weg, satan, terug! want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil (Mc 8,33). Het is voortdurend een over en weer van elkaar bestrijdende geesten, exorcerende, bezwerende geesten. Groot en klein trachten elkaar te bezweren. Zoals de leerlingen uitvaren tegen die kinderen: “bars wezen de leerlingen ze af" (Mc 10,13). Groot en klein, geweld en geweldloosheid, macht en onmacht. De geest die Jezus bezielt, is een geest van weerloosheid, van geweldloosheid, een geest van niet gediend willen worden, maar dienen en zijn leven geven als losprijs voor velen. Daartegenover staat de antigeest, de tegengeest, de slechte geest, die streeft naar macht, grootheid, eigenwaan, eigenkracht.

Als je ziet dat het daarom gaat, dat je een keuze moet doen tussen deze twee, dan ben je ziende, maar als je je blindelings laat leiden door die verkeerde geest, dan ben je blind, dan moet je genezen worden. Het wereldbeeld van de blinde heeft veel weg van het wereldbeeld van de gelovige. Hij zit langs de weg, die blinde bedelaar, en de menigte trekt langs hem heen. Waar die mensen iets in zien, daar ziet de gelovige niets in. En waar hij wel iets in ziet, dat ziet hij niet, dat moet hij geloven. "Zalig zij die niet gezien en toch geloofd hebben" (Joh 20,29). Zalig zij die blind zijn, die niets zien in dat waar de mensen iets in zien. Als gelovige zit je  eigenlijk langs de weg, het trekt langs je heen, het gaat aan je voorbij. Het gebeurt in gewone menselijke situaties: een kind dat niet mag huilen, een jongen die niet mee kan voetballen, geen stoere taal kan uitslaan, of een meisje dat bang is niet te zullen trouwen, en dan voor trut te worden aangezien. En dan natuurlijk heel die serie anderen die langs de weg staan, zieken die anderen tot last moeten zijn, gevangenen, veroordeelden, je bent van een ander ras, gastarbeider, je hoort bij de minderheid, of je hoort bij de Kerk. Je hoort bij Jezus, "de levende steen, door de mensen verworpen - kijk, daar heb je het - maar uitverkoren en kostbaar in het oog van God" (1 Pe 2,4).

Op die weg komen wij - op momenten van verworpenheid door de mensen - de barmhartigheid van God tegen: "Heb medelijden met mij." Zo'n blinde bedelaar langs de weg wijst ons de weg, geeft het gebeuren een andere wending, de wending van hoog naar laag, van groter naar klein, van Jezus, die zij zich voorstellen als zetelend op zijn troon van glorie. Maar Jezus wil niet gediend worden, Hij wil dienen. Jezus staat stil, Hij brengt heel die optocht tot stilstand, Hij brengt een tegenbeweging op gang, van groot naar klein, van hoog naar laag, van machtig naar machteloos. "Roept hem eens hier." Hij sprong op, wierp zijn mantel (het enige bezit dat hij nog had) van zich af en liet zich door de mensen om hem heen naar Jezus brengen. Dan vraagt Jezus: Wat wil je eigenlijk? Wat een vraag! Hoe kan Jezus dat nu vragen? Het is een vraag aan iemand, die nooit iets had te willen, die altijd moest doen wat een ander wilde. Hij moest zijn mond houden. En nu krijgt hij ineens de vraag toegespeeld: wat wil jij eigenlijk? Je mag nu eens zeggen wat jíj wilt. Je mag zeggen wat je op je hart hebt, maar waarvoor je je wellicht in het bijzijn van anderen schaamt. Hij had toen nog eieren voor zijn geld kunnen kiezen en om een aalmoes vragen, dat is toch wat een blinde bedelaar moet doen en verder niets. Verder moet hij zijn mond houden. Maar wat vraagt hij: "Rabboeni, maak dat ik zien kan." Als teken van het innerlijke zicht dat hij al had tussen al die blinden die in Jezus alleen maar iets groots zagen en niet de verworpene, kostbaar in het oog van God. Hij was een helderziende door zijn geloof. Als teken van zijn innerlijke zicht krijgt hij nu het uiterlijke zicht. Dat kwam niet in plaats van het innerlijke zicht, maar was er een verrijking van. Dat toont hij als Jezus vervolgens zegt: Ga naar huis, want hij gaat niet naar huis, maar: "hij sloot zich bij Hem aan op zijn tocht", achter Jezus aan, zoals al die andere volgelingen die door Jezus in zijn navolging werden geroepen: Kom achter Mij aan. Hij volgde Hem op zijn weg, op zijn kruisweg. Op zijn weg naar Calvarië waar het duister werd, inktzwarte duisternis, maar hij bleef zien naar Hem, die in zijn verworpenheid gezien is door God. "Kostbaar in het oog van God" (1 Pe 2,4). Dat is de wereld waarin wij langs het woord zijn binnengetreden, en dat is de wereld die Hij nu met zijn goddelijk liefde helemaal in het licht gaat zetten.