Homilie
Een blinde bedelaar die luidkeels begon te roepen. We hebben uit het evangelie geleerd dat het niet gaat over die blinde van tweeduizend jaar geleden, maar dat in die blinde van tweeduizend jaar geleden de blinden ten tonele gevoerd worden die wij zijn. Als wij eenmaal van onze geloofsblindheid genezen zijn, heeft het wereldbeeld van de gelovige nog steeds iets van dat van de blinde. Ook deze blinde Bartimeüs, deze blinde bedelaar, is als gelovige alleen in de wereld.
Hij zat langs de weg. Dat was zijn plaats, de weg waar de mensen langs kwamen van hun bezigheden naar huis en omgekeerd. Daar zit hij, hij zit ernaast. Hij is niet aangepast, hij is niet opgenomen. Je bent als gelovige alleen. Dat waar je wat in ziet, kun je niet zien. Niet zien en toch geloven. Niet zien en er toch iets in zien. Dat betekent: duisternis alom. Alles wat te zien is, daar zie je niets in. Alles waar mensen zich druk over maken, laat je koud. Je weet dat je het niet moet zoeken in de dingen waar mensen hun houvast in zoeken. Dat houdt het zeker niet. En waar jij wel iets in ziet, daar zien de anderen niets in. Je staat dus alleen. Je bent als de blinde bedelaar langs de weg. De mensen stromen langs je heen, ze zijn bezig met de wereld, met hun zekerheden, met hun alledaagse banaliteiten. Maar te midden van alles wat komt en gaat is er één Ander en Hij is anders. In Hém zie je wat. Je hebt over Hem gehoord, zoals Bartimeüs ergens gehoord moet hebben over Jezus. Zodra hij hoorde dat het Jezus, de Nazarener was, raakte hij geïnteresseerd, kwam hij los uit zijn bedelaarsroutine. Zoals de gelovige. Er is één Naam, de enige Naam die ons wel iets zegt. Hij is het licht in onze duisternis. In de duisternis van onze wereld en in ons hart is het licht opgegaan van het geloof, het licht waarmee wij zijn licht kunnen ontvangen.
Zo heeft dat licht zijn plaats in ons hart. Dan ook doen wat die blinde bedelaar deed: me tot die Ene richten, als tot de Enige van Wie ik redding verwacht. De kerk doet het ons voor. Toen wij aan het begin van deze eucharistieviering het Kyrie baden, zongen we: "Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij." Heer, ontferm U over ons, Kyrie eleison. Een roep om medelijden, een roep om hulp, maar ook een hulderoep, een jubelkreet waarmee in het Oosten een keizer of koning werd ingehaald, of een veldheer die een oorlog gewonnen had. Zo richten wij ons tot Jezus. Hij is de enige die ons kan redden: 'Heb medelijden met ons.' Dat is een geloofsbelijdenis. Ik geloof dat Hij, de Redder van de wereld, ook medelijden zal hebben met mij.
Belachelijk, een beetje dwaas. Als gelovige spring je eruit. Evenmin als die bedelaar, pas je in het patroon van de gewone wereldse verwachtingen. Zó alles van God verwachten! Alle menselijke zekerheden en veiligstellingen laten voor wat ze zijn, en je op die Naam storten als was niets en niemand anders je houvast. Van Hem moet je het hebben, je laatste houvast.
Nu had die blinde bedelaar niet zoveel zekerheden als wij hebben, en dus ook niet zoveel om los te laten, maar ook hij zat vast in het geijkte rolpatroon: dát doe je als bedelaar wel en dát doe je niet. Op zo'n dag als vandaag, met Jezus in ons midden, moet je niet zo hard schreeuwen. "Ze snauwden hem toe te zwijgen." Je bent als gelovige wel aangewezen op Jezus, je verwacht van Hem wel het heil, maar om daar nu altijd en helemaal alleen op te bouwen, daar alles van verwachten, dat is waarin die bedelaar ons een lesje kan leren. Daarom wordt dit gebeuren ons hier ook verteld. We denken: voor alle zekerheid houd ik toch maar een paar menselijke zekerheden vast, of maar een enkele, je weet maar nooit. Maar zo kan Jezus nooit je Redder worden en blijf je ronddwalen in het halfduister van je twijfel en onzekerheden.
Jezus stelt hem op de proef. "Jezus vroeg hem: Wat wil ge dat Ik voor u doe?" Dat is toch vragen naar de bekende weg! Neen, dat is niet zomaar de bekende weg. De bekende weg is niet dat hij Jezus om genezing vraagt, de bekende weg van de bedelaar is dat hij om een aalmoes vraagt. En nu moet hij, voor Jezus staande, Hem het verborgen verlangen zeggen dat komt uit zijn hart, uit zijn gelovige hart, dat licht dat in zijn hart is opgegaan: "Maak dat ik zien kan." Hij kiest niet voor die menselijke zekerheid waarmee hij zeker geen mal figuur zou slaan: 'Geef me een aalmoes', maar, 'dat ik zien kan'. Dat is wat je van Jezus mag verwachten. Dat je in Hem iets ziet wat niemand ziet. Waardoor heel de wereld nog duisterder wordt dan ze al is, maar dat je je die duisternis kunt permitteren omdat het Licht van de wereld in je hart is opgegaan. De rest hoef je niet te zien.
"Terstond kon hij zien, terstond zag hij in Jezus de goddelijke redder in mensengedaante, en sloot hij zich bij Hem aan op zijn tocht naar Jeruzalem." De kruisweg. Daar wordt alles duister. Daar zal het zo duister worden alsof de zon was weggegaan, alsof het Licht van deze wereld ten onder zou gaan. Maar Hij kon het in die duisternis volhouden, omdat Hij met het Licht van de andere wereld was. Gods afwezigheid, je moet er doorheen. Een duistere periode, maar het licht van het geloof schijnt in je hart, zodat je er doorheen komt. Samen met Hem op de kruisweg. Samen met Hem door de moeilijkheden van het leven. Samen met Hem door de stilte van het gebed. Hij is bij je. Daarvoor is Hij op aarde gekomen, daarvoor is Hij hier onder ons tegenwoordig.