Eerste lezing: Sirach 51,12-20
Evangelie: Marcus 11,27-33
Inleiding
Maria op zaterdag, de ingang naar de zondag, naar de dag van de Heer, als de ingang naar Jezus. Ze staat aan onze kant. Door haar komen wij gemakkelijker bij Jezus. Door Maria naar Jezus! Van de andere kant staat zij heel erg ver van ons af. Zij, de onbevlekte, wij, met zonden beladen, zondig tot in de wortel. Zij is gevrijwaard van de zonde van Adam.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij er te weinig op vertrouwen dat de zonde niet de overmacht heeft, maar de zuiverheid, reinheid, de genade.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd kwam Jezus met zijn leerlingen in Jeruzalem.
Terwijl Hij rondwandelde op het tempelplein,
traden de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten op Hem toe
en vroegen hem:
Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen?
En wie heeft U die bevoegdheid dan daartoe gegeven?
Jezus antwoordde:
Ik zal u één enkele vraag stellen
en als gij Mij daar antwoord op geeft,
zal Ik u op mijn beurt zeggen
krachtens welke bevoegdheid Ik dit alles doe.
Het doopsel van Johannes, kwam dat van de hemel of van de mensen?
Geeft Mij daar een antwoord op.
Zij beraadslaagden onder elkaar:
Als wij zeggen: van de hemel, dan zal Hij antwoorden:
Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken?
Maar zeggen we: van de mensen? ...
Zij waren bang voor het volk,
want iedereen hield Johannes voor een profeet.
Zij gaven Jezus dus ten antwoord:
Wij weten het niet.
Toen zei Jezus tot hen:
Dan zeg Ik u evenmin krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel.
Homilie
Wie heeft U de bevoegdheid gegeven"?
Jezus antwoordde: Ik zal u één enkele vraag stellen
Het lijkt menselijk slim een tegenvraag te stellen, maar het is goddelijk wijs. Want het is niet zomaar een tegenvraag, deze vraag over de bevoegdheid van Johannes, of die van de aarde is of van de hemel, de vraag of hij door God is aangesteld of door de mensen, of hij zichzelf heeft opgeworpen als profeet of door God is aangesteld. Als ze niet openstaan voor de goddelijke zending van Jezus' voorloper, zouden ze dan wel openstaan voor het antwoord van Hem die Johannes heeft aangewezen?
Jezus is een wijsheidsleraar en zij zochten de wijsheid. Het boek Ecclesiasticus, waaruit de laatste dagen de lezingen werden genomen, is voortgekomen uit het milieu van de wijsheid van die tijd. Het is, met een woord, ontleend aan de tijd na de wijsheid: christelijke levenskunst. Het is niet alleen maar theorie, spreuken, maar het gaat om het doen, het handelen, waarvan die spreuken een neerslag zijn. Hoe leerde men dat toen? Door te doen wat deze wijsheidsleraar, van het boek Ecclesiasticus, Jezus Ben Sirach, deed. Hij ging op reis naar de centra van de levenskunst, waar de elite van het volk en die van andere volkeren op zoek waren naar een hoger bewustzijn, waar ze gevormd werden in wellevendheid, regels van levenskunst, een soort chique, degelijke kostschool. Ze hadden namelijk ontdekt dat er manieren van leven waren, manieren om de geest te ontplooien, waardoor het menszijn veel beter tot zijn recht kwam. Zo hadden zich centra gevormd waar men die wijsheid kon opdoen en waar men zich in die wijsheid kon laten vormen. Die centra werden bezocht door wijsheidsleraren uit allerlei landen. Deze wisselden hun bevindingen uit, legden verzamelingen van spreuken aan en gaven die dan door aan anderen. Zoals dat ook gebeurd is onder de monniken. Die hadden ook zo hun wijsheidservaring, levenservaring, die ze neerlegden in spreuken. Die spreuken werden verzameld en aan de hand van die spreuken konden anderen het monnikenleven inoefenen. Tenslotte kwam er zoiets als een regel, een levensregel, een van Benedictus, een van Basilius en van zovele anderen.
Zo'n wijsheidsleraar was dus Jezus Ben Sirach, die het boek Ecclesiasticus op zijn naam heeft staan. Onze vraag is nu: moeten wij doen zoals hij? Zwerven, studeren. Nee, zegt Jezus Sirach, "Toen ik nog jong was, voordat ik ging zwerven, zocht ik openlijk wijsheid in mijn gebed. Je hoeft niet te zwerven, te studeren, je moet erom vragen. Staande voor de tempel vroeg ik er om, en tot het laatste toe zal ik haar zoeken.
Van mijn jeugd af volgde ik haar spoor."
Wij nu hebben een wijsheidsleraar bij wie we alles kunnen vinden. We hebben Maria, de zetel der Wijsheid, Sapientia, en we hebben Jezus, die Zich ook opstelt als wijsheidsleraar. "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders
" (Mt 11,28-29). Niet het juk dat de Farizeeën hun leerlingen oplegden, maar: "neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij, van Mij, dé wijsheidsleraar. Wat moeten we leren? Niet bepaalde wijsheidsspreuken, bepaalde gedragingen, maar een mentaliteit, een innerlijke gesteltenis: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29). En dat niet los van Jezus, maar zíjn zachtmoedigheid, zíjn nederigheid, dan zul je rust vinden voor je ziel. Dan hoef je niet te zwerven. Je zult rust vinden voor je ziel, want je hebt gevonden wat je zocht, waarop de diepste hunkering van je hart is aangelegd.
Zachtmoedig en nederig, maar wel met volmacht. Zoals Hij daar in de tempel te werk is gegaan. Hij gooide de tafels van de geldwisselaars omver, joeg de dieren eruit en verbood zelfs iets over het tempelplein te dragen. Toen de Farizeeën en schriftgeleerden dat zagen, vroegen ze: Waar haalt U de bevoegdheid vandaan, om zo op te treden? "Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen? En wie heeft U die bevoegdheid dan daartoe gegeven?" Wij vinden dat Jezus daar het recht toe heeft, Hij immers is dé Leraar, dé Profeet, Hij is de Messias!
Natuurlijk heeft Hij er het recht toe. Maar wat nu als Hij datzelfde doet in ons eigen hart, waar ook gemarchandeerd wordt met het goede geweten, een handeltje gedreven? Wat als Hij de verborgen eigenliefde blootlegt, me onverbiddelijk mezelf laat zien in mijn armzaligheid? Zeg ik dan ook niet een beetje korzelig: Laat me met rust. Waar haalt U die bevoegdheid vandaan?
Er vindt in ons hart, de tempel van de heilige Geest, eigenlijk een voortdurende tempelreiniging plaats. Bijvoorbeeld: we haasten ons met ons werk klaar te komen. Dan zegt Hij dat je moet verzaken aan al te natuurlijke bedrijvigheid die alleen maar onrust en verstrooiingen in de ziel brengt. Of wij maken een fout, of, wat ook kan voorkomen, we weten ons een en al fout. Dan mogen we ook daarin niet vastzitten aan onszelf, maar moeten wij alles van Gods barmhartige liefde verwachten en niets van onszelf. We moeten geen lasten dragen over het tempelplein, de last van onze zonden, van ons eigen hart. Hij heeft die gedragen. Of stoten wij op onze grenzen, op ons onvermogen, dan zegt Hij: Je moet dat in alle deemoed, zachtheid en nederigheid aannemen. Je kunt je niet ineens veranderen. Maar de verandering die Hij, onze Wijsheidsleraar, van ons vraagt is: alles aan te nemen in zijn gesteltenis. Hem erbij.
Zo is Jezus de hele dag bezig ons te onderrichten met zijn wijsheid. We hebben geen andere leraar nodig en we kunnen bij geen andere leraar rust en verlichting vinden. Dat we naar die wijsheidsleraar mogen luisteren, laat ons daarom nu tot God bidden.