Eerste lezing: 1 Johannes 411-18
Evangelie: Marcus 6,45-52
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Na de broodvermenigvuldiging dwong
Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan
en alvast naar de overkant te varen, naar Betsaïda,
terwijl Hij het volk naar huis zou zenden.
Na afscheid van hen genomen te hebben,
ging Hij de berg op om te bidden.
Toen de avond viel, bevond de boot zich midden op het meer
en was Hij alleen aan land.
Omdat Hij zag dat zij zich aftobden om vooruit te komen
- de wind zat hun tegen -
kwam Hij omstreeks de vierde nachtwake
te voet over het meer naar hen toe;
en Hij wilde hen voorbijgaan.
Maar toen zij Hem zo over het meer zagen gaan,
meenden zij dat het een spook was,
en ze schreeuwden het uit.
Want allen zagen Hem en raakten van streek.
Maar onmiddellijk begon Hij met hen te spreken en zei hun:
Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet.
Hij klom bij hen in de boot en de wind ging liggen.
Ze raakten buiten zichzelf van verbazing,
want zij waren door het gebeurde met de broden niet tot
inzicht gekomen, maar hun geest was verblind.
Homilie
Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen." Met een zeker geweld breekt Jezus de vredige samenkomst op, met een zekere haast. Het was een samenkomst van hemel en aarde. Het was iets hemels, nabijheid van God de Vader. De verbroedering die daar is ontstaan, is een verbroedering die God zelf tot stand bracht en dus ook een teken dat men God bij zich had. Het teken van God, dat is de heilige Geest, dat is de liefde. Want "Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, sprak de zegen uit," om zo die onzichtbare werkelijkheid van God de Vader nabij te brengen. Niemand heeft God ooit gezien en Hij blijft onzichtbaar, maar Hij wordt tegenwoordig gesteld door Jezus, het sacrament van de Vader. Maar dat is voorlopig. Dat kan niet duren. Het is een voorsmaak, een voorproefje. Zoiets wat het sacrament is, een onderpand van de eeuwige glorie, een vooruitlopen op de tijd dat wij altijd met Hem zullen zijn. Wie kent dat gevoel niet: er is een viering, kon het zo maar blijven. En ook al is zo'n verblijf in het gebed, in de kapel, in de aanbidding, in de eucharistie, voor je gevoel niet altijd alles, vergeleken bij het gewone leven, de strijd om het bestaan, de gebrokenheid, de duisternis, de leegte van het gewone leven, is zo'n viering, zo'n biddend samenzijn toch iets eenvoudigs, iets heiligs, iets fijns ook, waarin je je maar al te graag wilt terugtrekken. Dat zal toen ook wel zo geweest zijn. Hij moest er dus met een zeker geweld een eind aan maken, tegen hun gevoelens in: hè, nog even blijven, zo moest het eigenlijk altijd zijn. Maar Jezus maakt er een eind aan.
Is dat nu omdat Hij denkt: nee, de plicht roept. De zaak gaat voor het meisje. Lekker is maar een vinger lang. Het gewone leven, een scheiding, moet volgen op het bijeen zijn. Hij daar boven op de berg en zij daar beneden op het water. Jezus wil geen valse indruk wekken van het leven in zijn navolging, als was het een vlucht uit de wereld, een heilige gemeenschap met vieringen en sessies, fijn onder elkaar, het gewone leven buitensluiten. Maar het is niet alleen om de werkelijkheid van het gewone leven weer aan bod te laten komen, maar om Zichzelf aan het gewone leven te kunnen meedelen. Het gewone leven wordt hier zo moeilijk mogelijk voorgesteld. Jezus is ver weg. De leerlingen zijn midden op het water - midden op het meer. Dus evenveel water voor hen als water achter hen. Ze zijn omgeven door water, dat gevaarlijke water. En ze hebben tegenwind. Ze tobden om vooruit te komen. En dan nog de duisternis. En veel meer duisternis achter hen dan voor hen. De vierde nachtwake. Ze hadden al de hele nacht door geroeid en getobd. En alleen. Jezus ver weg. Hij nam afscheid. Hij ging weg. Ze zijn alleen. Dat is dus het beeld van het gewone leven.
In het gewone leven moet de eucharistie voortduren. Je moet niet alleen eucharistie víeren, maar je moet ook eucharistie zíjn. Jezelf geven, je inzetten, jezelf offeren. Maar dat is natuurlijk alleen omdat Hij ook niet alleen eucharistie wil vieren, in de eucharistie wil zijn, maar Zich ook na de eucharistie wil blijven geven. Je bent in het gewone leven, in de duisternis, in de strijd om het bestaan, juist niet alleen. Want zo staat het er toch: "Omdat Hij zag dat zij zich aftobden om vooruit te komen kwam Hij, omstreeks de vierde nachtwake, te voet over het meer naar hen toe." Precies als in de eucharistie. En omdat Hij het inderdaad zelf was, met heel zijn goddelijke kracht en uitstraling van de Vader, meenden zij dat ze een spook zagen en zij schreeuwden het uit. "Allen zagen Hem en raakten van streek. Een Godservaring. Maar niet de godservaring van de afgoden, maar de ervaring van onze God, die Zich niet van heel ver meedeelt, maar heel nabij is: Onmiddellijk begon Hij met hen te spreken: Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet. Ik ben het." Van heel ver komt Hij in je gewone leven heel dichtbij. De eucharistie gaat door in het offer dat jij moet brengen. Maar de eucharistie gaat ook door in zijn zelfmededeling. Hij is in het brood en Hij is in het woord. Hij is ook in zijn werkelijke zelfmededeling in het gewone leven.