Dinsdag in de negende week
     van het even jaar
              HH. Carolus Lwanga en Gezellen, martelaren


Eerste lezing: 2 Petrus 3,12-15a.17-18 [III 99]
Evangelie: Marcus 12,13-17 [III 100]


Inleiding  

Blijdschap om het martelaarschap. We vieren vandaag de martelaren Carolus Lwanga en gezellen.  Koning Mwanga van Uganda wilde de pages, jongemannen die aan het hof werden opgeleid voor belangrijke ambten, misbruiken, maar Carolus Lwanga, de leraar van deze knapen leerde hun 'nee' te zeggen. Ze werden gevangen gezet, mishandeld. De gevangenistijd werd voor deze pages, deze jonge christenen, bij alle kwellingen tot een bijna mystieke geloofservaring. Op 3 juni 1886 wordt Carolus Lwanga met twaalf pages op de brandstapel terecht gesteld. Zij stierven de lof van God zingend. Heel de Kerk heeft zich verheugd over het getuigenis van deze martelaren. In 1968, vier jaar na de zaligverklaring van Carolus en zijn gezellen, maakte paus Paulus VI een bedevaart naar Kampala, en bezocht ook de plaats waar zij werden verbrand.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd
stuurden de hogepriesters, de schriftgeleerden en oudsten
enkele Farizeeën en Herodianen op Jezus af
om Hem vast te zetten.
Dezen kwamen bij Hem met de vraag:
“Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt
en U aan niemand stoort,
want Gij ziet de mensen niet naar de ogen
maar leert de weg van God in oprechtheid.
Is het geoorloofd
belasting te betalen aan de keizer of niet?
Zullen we betalen of niet betalen?”
Maar Jezus, die hun huichelarij doorzag, antwoordde:
“Waarom probeert ge Mij te vangen?
Geeft Mij een denarie, dan zal Ik eens zien.”
Zij deden het.
Jezus vroeg hun nu:
“Van wie is deze beeldenaar en het randschrift?”
Ze antwoordden: “Van de keizer.”
Daarop sprak Jezus tot hen:
“Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt
en aan God wat God toekomt.”
En ze stonden verwonderd over Hem.

Homilie  

“Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en U aan niemand stoort, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar leert de weg van God in oprechtheid."
Eigenlijk bedoelen ze hiermee te zeggen: Het zal U een zorg zijn wat ze van U denken, wat ze van U zeggen. En het zegt Jezus ook niks, het doet Hem niks. Jezus is zó vrij, dat wat voor alle mensen de grootste zorg is, of ze nu rijk zijn of arm, of ze nu hoog op de maatschappelijke ladder staan of niet, voor Jezus   helemaal geen zorg is. Hoe veel we ook hebben, dat is allemaal niets in vergelijking met de waarde van onze ziel, hoe weinig we ook hebben, ook dan hebben we nog altijd onze ziel. Het is goed om je grootste geestelijke rijkdom los te laten, je eer, wie je bent in de ogen van de mensen. Mensen kunnen daar veel mee bezig zijn, ook als ze niets bijzonders zijn in de ogen van anderen. Maar als je niets hebt, dan nóg kunnen ze daar altijd naar verlangen, dan nóg kunnen ze er altijd op uit zijn, dan kunnen ze daar tóch veel mee bezig zijn.

De vraag is: mag je dan helemaal niets meer betekenen in de ogen van een ander? Jawel, als het maar iemand is van wiens eer je altijd op aan kunt, wiens eer echt geldt. Dat vind je niet onder de mensen. De mensen eren je in de mate dat ze er belang bij hebben: of zij worden ook zelf geëerd, of ze delen in jouw eer. Complimenten géven is dikwijls bedoeld om complimenten te kríjgen. Dat weet u allemaal. Een visje uitgooien om een grotere vis te vangen. Zo gaat het eenmaal bij de mensen.
Zoek het niet bij de mensen, maar zoek het zoals Jezus - waarvan zijn vijanden zelf getuigden - bij God. "Want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar leert de weg van God in oprechtheid.” Ge ziet God naar de ogen. Leef voor “uw Vader die in het verborgene ziet en Hij zal het u vergelden" (Mt 6,6).

Mensen kunnen je het heel moeilijk maken. Ze komen met dit geweldige compliment aan het adres van Jezus aanzetten om het Hem heel moeilijk te maken. Ze drijven Hem in een val, in een valkuil. "Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?" Geoorloofd? Ja, daar bedoelden ze mee of het voor God geoorloofd was. Natuurlijk moest je aan de keizer belasting betalen, want hij was het hoofd van het Romeinse Rijk en de Romeinen waren de bezettende macht in het land van Jezus. Maar wat je volgens de keizer, volgens de wetten van het land moest, moet je dat dan ook volgens God? Het lijkt een tweespalt. Als je het een goed doet, een goede burger zijn, doe je het ander verkeerd, en als je het andere goed doet, een goede gelovige zijn, doe je het ene verkeerd.

Sommigen kozen dit, anderen kozen dat. Sommigen zeiden: Neen, je mag geen belasting betalen aan de keizer. Dat mag niet van God. Wij zijn het land van God. Je kunt toch de vijanden van God geen belasting betalen. Dat mag niet. En anderen zeiden: Ja, maar zo heet als de soep wordt opgediend wordt ze niet gegeten. Je moet een compromis sluiten, we leven in deze wereld. Sommigen zeggen met sint Petrus in de eerste lezing: De wereld vergaat, "het gaat toch allemaal in vlammen op," het einde van de tijd is nabij, wat zullen wij ons dan nog inzetten voor deze wereld? Anderen zeggen met dezelfde Petrus: Ja maar, deze tijd "van uitstel wordt ons gegeven door de Heer in zijn lankmoedigheid, als een genade ten heil." Je moet er mee woekeren, je moet het goede doen.

Ja, wat moeten ze nu? Jezus zegt: "Geef Mij een tienling, dan zal Ik eens zien." Dat was nogal een hachelijke vraag, want degene die hem uit zijn zak haalde getuigde ervan dat hij toch gekozen had om aan de keizer belasting te betalen, want wat deed hij anders met die belastingmunt? Er kwam al iets van zijn huichelarij naar boven, hij was al niet helemaal vrij meer, hij kon geen twee kanten meer uit, hij had zelf al gekozen. Jezus gaat verder en vraagt: "Van wie is deze beeldenaar en het randschrift?” Ze antwoordden: “Van de keizer.” “Geef dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat aan God toekomt." Ja, toen wisten ze nog niet of het geoorloofd was aan de keizer belasting te betalen. Maar wat ze wél wisten was, dat je God en mens niet tegen elkaar moet uitspelen. God en de wereld. Als je voor God kiest kan de wereld er nog bij. Als je de weg van God in oprechtheid leert, kunnen de mensen zich veilig weten.

Als we het nu helemaal op onszelf betrekken, zou je kunnen zeggen: Wat staat er in mijn hart? Van wie is die beeldenaar, wat is het opschrift, van wie ben ik? Dan moeten wij zeggen: ja, ik ben van God. En de wereld dan? Die is ondergeschikt aan God. Alles mag als het maar van God mag. Je moet de dingen niet afmeten naar de waarde die ze voor mensen hebben, maar kijken of ze geldig zijn voor God. Je moet de eer van de mensen laten voor wat ze is, maar je bekommeren om de eer van Hem wiens beeldenaar je draagt in je hart. God, die in het verborgene ziet, die de beeldenaar ziet in je hart, die weet dat je van Hem bent, Hij zal het je vergelden.