Donderdag in de negende week
         van het even jaar
          Heilige Bonifatius, bisschop en martelaar


Eerste lezing: 2 Timoteüs 2,8-15 [III 103]
Evangelie: Marcus 12,28b-34 [III 104]


Inleiding  

'De Heer is mijn helper geworden.' Hét kenmerk van het leven en sterven van de heilige Bonifatius, de heilige van vandaag, bisschop en martelaar, patroon van de Duitse kerkprovincie. 'Zie, de Heer zelf is mijn helper geworden.' Dat is de kunst, God zelf je helper te laten worden. Ongelooflijk. Er staat dan ook nog bij: 'Zie'. Dat woord 'zie' wordt in het evangelie dikwijls gebruikt om het buitenwereldlijk ingrijpen, het tussenbeide komen van de heilige Geest aan te duiden. 'Zie', ineens, als een bliksemflits, komt het inzicht dat God zelf, loodrecht, van boven naar beneden, de mens de helpende hand toesteekt, dat Hij met goddelijke kracht tot stand brengt, wat hij uit eigen kracht niet kan klaren. Niet jezelf helpen, maar je eigen kracht loslaten. Dat is ook de inzet bij iedere eucharistie, en bij de eucharistische aanbidding, zoals die hier dag en nacht plaatsvindt. Want wat is eucharistische aanbidding anders dan het aanwezig zijn van een hulpeloos Iemand die door niets anders gedragen wordt dan door zijn vertrouwen op God, die zijn helper is geworden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe
en legde Hem de vraag voor:
“Wat is het allereerste gebod?”
Jezus antwoordde:
“Het eerste is:
Hoor, Israël!
De Heer onze God is de enige Heer.
Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart,
geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht.
Het tweede is dit:
Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.
Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.”
Toen zei de schriftgeleerde tot Hem:
“Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd:
Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem;
en Hem beminnen met heel zijn hart,
heel zijn verstand en heel zijn kracht
en de naaste beminnen als zichzelf
gaat boven alle brand- en slachtoffers.”
Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem:
“Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.”
En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

Homilie  

“Wat is het allereerste gebod?"
Jezus zegt de les op, dat wil zeggen: Hij beantwoordt een catechismusvraag met een catechismusantwoord zoals het in de wet geschreven stond. Hij bedenkt niet zijn eigen wijsheid, maar de wijsheid van Jezus is de wijsheid van God die zijn neerslag gevonden heeft in de Schrift. Maar voordat dat woord gaat klinken, voordat Hij die vraag beantwoord, zegt Jezus eerst nog: "Hoor, Israël!" We staan in gehoorzaamheid. Het is niet onze eigen wijsheid. God treedt uit zijn ontoegankelijkheid naar buiten. Hij spreekt ons onmiddellijk aan. Mensen gaan hun gang, ze richten zich tot elkaar, ze richten zich tot de natuur, en ze richten zich tot machten en goden. Soms menen zij antwoord te krijgen, daaruit ontstaan dan rituelen. Bij die gebaren of bij die woorden, of als je het zus of zo zegt dán lukt het. Magie. Dan heb je hem in handen, dan doet hij wat je wilt.

Maar nu, zonder dat de mensen ergens mee bezig waren, zonder zich tot iemand of iets te richten, zonder te proberen iets gedaan te krijgen, werden zij ineens gewaar dat er Iemand was die Zich tot hén richtte. U kent waarschijnlijk allemaal de verschijningen van Maria aan Bernadette in Lourdes. Bernadette was een beetje achtergebleven bij haar vriendinnetjes met wie ze samen aan het hout sprokkelen was. Ze was alleen. Ineens was daar een geruis. Ze kijkt op, maar ziet niets, ziet niemand, ook geen wind. Dan hoort ze wéér een geruis, om haar voor te bereiden, en dan, als uit het niets: een stem. Zoiets. Zoiets moet het geweest zijn toen God Abraham riep, toen Hij Mozes riep, toen Hij verscheen aan Jakob, Isaak, toen Hij verscheen boven op de berg Sinaï. Het is eigenlijk iets om van te schrikken. Daarom komt er ogenblikkelijk iets geruststellends achteraan. Vrees niet, houd moed, wees maar niet bang. En dat zijn niet alleen woorden, ze geven een gevoel van gerustheid.

De mens voelt zich onmetelijk klein als hij door zo'n grootheid, door zo'n Persoon van achter de natuur, van achter de geschiedenis wordt benaderd. Natuurlijk vraagt hij zich af: Is dat een goede of een kwade macht? Zitten er goede bedoelingen of kwade bedoelingen achter? Mag ik blij met hem zijn, of moet ik voor hem vrezen? Maar het gevoel dat daarmee gepaard gaat, is een gevoel van eindeloze zachtheid, tederheid, liefheid. We kunnen ons afvragen: zijn we wel helemaal veilig bij Hem?

Het antwoord daarop komt van de Tien Geboden en wel van het eerste gebod. "Wat is het allereerste gebod?” “Het eerste is: Ge zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht.” Hem liefhebben, dat is het eerste. U hoeft Hem dus niet te vrezen. “De ware liefde drijft de vrees uit" (1 Joh 4,18). Want je kunt niet iemand beminnen die zelf niet bemint. Dat wordt wel niet uitgesproken, maar dat wordt onuitgesproken gesuggereerd, hetgeen nog veel sterker is. Als wij Hem moeten beminnen, dan bemint Hij ons. Het is precies in overeenstemming met de sfeer van liefde, zachtheid en tederheid die God om Zich heen verbreidt wanneer Hij aan de mens verschijnt. Als de liefde van God wegvalt, als dat minder gaat spreken, dan kun je ook de ander niet meer beminnen. Dan ga je jezelf vergelijken met de ander, dan ga je je beklagen over je lot, je dienstjaren, of 'hij wel en ik niet'. Dan spreek je niet meer over je naaste als je broer of zus, maar over 'die zoon van u', of over 'die mensen'. De liefde van God hoort bij de gehoorzaamheid. Gehoorzamen kun je alleen aan Iemand die je liefheeft.

Zo moeten ouders ook hun kinderen leren. Ze moeten hen verbieden, ze moeten hen gebieden, maar ze moeten dat steeds zo doen, dat ze met hun liefde laten merken wat goed voor ze is. Ouders moeten niet iets willen doordrukken naar hun eigen zin, of omdat ze het er niet mee eens zijn als een kind het anders doet, maar het welzijn van het kind zelf moet altijd de norm van hun beslissingen zijn.

Het welzijn van de mens zelf heeft God op het oog als Hij de Tien Geboden oplegt. En de sfeermaker van de Tien Geboden, van hoe je ze allemaal moet verstaan, is: de liefde. De liefde tot God en de liefde tot de naasten. Dat die liefde zover gaat als wij ze vandaag, donderdag en de dag van eerherstel, mogen vieren. Dat Hij zijn leven geeft, dat Hij zijn laatste druppel bloed geeft voor mensen die Hem ontrouw zijn. "Zichzelf verloochenen kan Hij niet, Hij blijft trouw bij onze ontrouw" (2 Tim 2,13). Dat is ons heilig geloof.