Vrijdag in de negende week
      van het even jaar
                               Heilige Norbertus, bisschop


Eerste lezing: 2 Timoteüs 3,10-17 [III 105]
Evangelie: Marcus 12,35-37 [III 106]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus


In zijn onderricht in de tempel wierp Jezus eens de vraag op:
“Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen
dat de Messias Zoon van David is?
David heeft zelf gezegd,
door de heilige Geest bewogen:
De Heer heeft gesproken tot mijn Heer:
zit aan mijn rechterhand
totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd.
Als David Hem Heer noemt,
hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?”
Het merendeel van het volk luisterde graag naar Hem.

Homilie
 

Jezus is Heer én Zoon. Als 'Heer' is Hij groot, goddelijk groot. Als Zoon is Hij klein, goddelijk klein. 'Heer', in het bijbelse Grieks  'Kyrios', is de verheven Godsnaam: 'Heer, ontferm over ons,' 'Kyrie eleison'.  'Heer' is de eigenlijke naam voor God. God is de Heer. Het is een Godsnaam. In het evangelie heeft Jezus de naam die God, en God alleen, toekomt, geërfd. Het evangelie kent dus twee Heren die één zijn, zoals we in dit evangelie uit Jezus' mond horen: "De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd." Wat er in het evangelie in feite gebeurt, is dat men in Jezus God zelf herkent, dat Jezus de openbaring is van de Heer. De leerling die Jezus liefhad, heeft het met zoveel woorden mogen zeggen, toen hij uitriep: "Het is de Heer.” “Jezus Christus is de Heer," schrijft Paulus in zijn brief aan de christenen van Filippi (Fil 2,11). Het is de samenvatting van heel ons geloof.

Maar Jezus is ook Zoon, afhankelijk. Hij ontvangt het leven. De Vader geeft het leven. Als je van iemand niets weet, zijn naam niet kent, zijn leeftijd, zijn beroep niet weet, je weet alleen dat hij vader is, wat weet je dan? Dan weet je: hij heeft een kind het leven gegeven. Vader-zijn is leven geven. En als je van iemand niets weet behalve dat hij zoon is, wat weet je dan? Dan weet je: hij heeft het leven ontvangen. Uit zichzelf heeft hij niets, ja, is hij niets. Een kind is tot in zijn bestaan toe afhankelijk van de ander die hem heeft verwekt. In die zin kan men God de Zoon de kleine God noemen, zonder dat daarmee iets te kort gedaan wordt aan zijn goddelijkheid. Hij is echt God de Zoon, en God de Vader is de grote God. Het zijn er dus eigenlijk twee: een hoge en een lage God, een grote en een kleine, een verheven en een nederige, een Vader en een Zoon, een God die leven gééft en een God die leven ontvangt. De Zoon God is afhankelijk van de Vader God: onderworpen, ondergeschikt, onderdanig. En toch doet de Een in niets onder voor de Ander. Beiden hebben ze de goddelijkheid als natuur.

De Zoon God is mens geworden. Niet de Vader is mens geworden, maar de Zoon. Want de Zoon doet als mens niets anders dan wat Hij als God ook doet: afhankelijk zijn, gehoorzaam zijn, nederig zijn, door Zich te onderwerpen aan het lot van een mens van vlees en bloed, aan lijden en dood. Jezus als mens doet eigenlijk niets anders dan zijn hemelse bestaanswijze van de Zoon vertalen in aardse categorieën. Jezus is de aardse vervoeging van de hemelse Zoon. Daar begint Hij al mee bij zijn geboorte: in armelijke omstandigheden, verborgen, achteraf, heel gewoon en simpel, een bestaan van niks, ergens achteraf in een uithoek van het Romeinse Rijk, een kind als zovelen, niet eens in een wieg, maar neergelegd in een kribbe, een voederbak voor beesten. Dat is zijn hele leven doorgegaan, tot op het kruis: een bestaan van een verworpene, een onderworpene, helemaal geen leven in zichzelf, helemaal afhankelijk, helemaal kind.

Daarin openbaart Hij wie Hij zelf is en Wie de Vader is en ook wie wij moeten zijn. Zoals Hij het menszijn heeft voorgeleefd, zo moeten wij het Hem nadoen. Jezus werpt licht op God, op wie God is, en Hij werpt licht op onszelf, hoe wij moeten zijn. Mens-zijn volgens Christus is zoon-zijn en dat is afhankelijk zijn, arm zijn, gehoorzaam zijn.

Zo'n leider hebben wij nodig. Alle ander leiders blinken uit door kracht. Ze hebben een leidinggevende positie gekregen op grond van hun superioriteit in een of ander opzicht. Ze staan als het ware boven het gewone menszijn. Eigenlijk zijn ze niet zo helemaal echt menselijk. Want bij het mens-zijn hoort ook zwak zijn, onmacht, afhankelijkheid. Maar mensen hebben in het algemeen de neiging die zwakheid te verdringen. Ze kiezen als leiders mensen waar zo min mogelijk zwakheid aan is. Jezus is onze leider in het mens-zijn, in het gewone, zwakke mens-zijn. Ja, Hij heeft met goddelijke geestkracht de menselijke zwakte tot het uiterste toe aanvaard en met liefde gedragen.
Dat is wat wij in de eucharistie vieren: toen de boosheid tot het uiterste ging en ze Hem helemaal klein wilden krijgen, gaf Hij een teken van zijn liefde tot het uiterste toe. Dat leert Hij ons ook te doen: onze zwakheid en die van anderen niet verdringen of compenseren of projecteren, maar met liefde dragen en verdragen.