H. Justinus, martelaar
Eerste lezing: 2 Petrus 3,12-15a.17-18
Evangelie: Marcus 12,13-17
Inleiding
'Hij heeft mij nieuw gemaakt.' Dat wordt gezongen ter ere van de martelaren van vandaag, de heilige Justinus en gezellen. Ze leefden in de eerste helft van de tweede eeuw. Justinus was een filosoof, hij stelde zijn wijsheid in dienst van de apologie, de verdediging van het christelijk geloof en hij richtte zich zelfs tot de keizer en de senator om te bewijzen, dat er in het christelijk geloof niets verkeerds stak. Ten slotte werd hij zelf, de filosoof van de verdraagzaamheid, van de oecumene, het slachtoffer van de onverdraagzaamheid. Toen hij voor de rechter werd geleid, samen met zijn gezellen, zijn leerlingen, wendde de prefect, de officier van justitie, zich tot Justinus en zei: 'Luister eens, jij, zogenaamde man van het woord, je gelooft de ware wijsheid te bezitten. Wanneer je afgeranseld wordt en terechtgesteld, geloof je dan naar de hemel op te stijgen?' Justinus antwoordde: 'Ik vertrouw er vast op dat ik daar zal wonen wanneer ik dit alles zal hebben doorstaan.' En nogmaals drong de prefect bij hem aan: 'Je gelooft dus werkelijk dat je naar de hemel zult opstijgen om daar een of andere beloning in ontvangst te nemen?' 'Dat geloof ik niet alleen, dat weet ik heel zeker. Ik ben helemaal vervuld van deze zekerheid.' En ook de anderen gaven antwoorden van dezelfde strekking: 'Ons smachtend verlangen gaat er naar uit om voor onze Heer Jezus Christus te lijden om zo gered te worden. Dat zal ons heil en vertrouwen brengen voor de schrikwekkende rechterstoel van onze Heer Jezus Christus, Heer en Heiland, voor wie de hele wereld eens zal verschijnen. Doe maar wat u wilt, wij zijn christenen en offeren niet aan afgodsbeelden.'
In zijn geschriften komt de heilige Justinus uit voor zijn geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistische gave. Dat geloof heeft hij met zijn bloed bezegeld. Het aardse leven was voor hem minder werkelijk dan het leven van Jezus in de eucharistische gaven en in de hemel, waarvan die eucharistische gaven een onderpand zijn.
Belijden wij dan eerst, vooraleer wij Jezus' bloedoffer gaan vieren, onze ontrouw, ons offeren aan de afgoden van de zelfzucht, om deze heilige geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd
stuurden de hogepriesters, de schriftgeleerden en oudsten
enkele Farizeeën en Herodianen op Jezus af
om Hem vast te zetten.
Dezen kwamen bij Hem met de vraag:
Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt
en U aan niemand stoort,
want Gij ziet de mensen niet naar de ogen
maar leert de weg van God in oprechtheid.
Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?
Zullen we betalen of niet betalen?
Maar Jezus, die hun huichelarij doorzag, antwoordde:
Waarom probeert ge Mij te vangen?
Geeft Mij een denarie, dan zal Ik eens zien.
Zij deden het.
Jezus vroeg hun nu:
Van wie is deze beeldenaar en het randschrift?
Ze antwoordden: Van de keizer.
Daarop sprak Jezus tot hen:
Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt
en aan God wat God toekomt.
En ze stonden verwonderd over Hem.
Homilie
Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en U aan niemand stoort, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar leert de weg van God in oprechtheid." Eigenlijk bedoelen ze hiermee te zeggen: Het zal U een zorg zijn wat ze van U denken, wat ze van U zeggen. En het zegt Jezus ook niks, het doet Hem niks. Jezus is zó vrij, dat wat voor alle mensen de grootste zorg is, voor Jezus helemaal geen zorg is. Hoe veel we ook hebben, we hebben nog altijd onszelf, hoe weinig we ook hebben, ook dan hebben we nog altijd onszelf. Het is goed om je grootste rijkdom los te laten, je eer, wie je bent in de ogen van de mensen, je geestelijk kapitaal, want bij alle armoede kun je toch nog heel rijk zijn. Maar als je niets hebt, of je bent niet iemand die hoog staat aangeschreven in je omgeving, of ze praten niet over je, ze denken niet over je, of je bent gewoon niet iemand van belang, dan nóg kun je dat altijd verlangen, dan nóg kun je er altijd op uit zijn, dan kun je daar tóch nog mee bezig zijn. Dat elke keer te moeten constateren kan je een beetje down maken.
Mensen kunnen je het heel moeilijk maken. Ze komen met dit geweldige compliment aan het adres van Jezus aanzetten om het Hem heel moeilijk te maken. Wat is dan die moeilijkheid? Ze drijven Hem in een val, in een valkuil. "Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?" Geoorloofd? Ja, daar bedoelden ze mee of het voor God geoorloofd was. Natuurlijk moest je aan de keizer belasting betalen, want hij was het hoofd van het Romeinse Rijk en de Romeinen hadden het te zeggen in het land van Jezus. Maar wat je volgens de keizer, volgens de wetten van het land moest, moet je dat dan ook van God? Het lijkt een tweespalt. Als je het bij de een goed doet, doe je het bij de ander verkeerd, en als je het bij de ander goed doet, doe je het bij de ene verkeerd. En dat werd dan ook door mensen, door partijen, door bewegingen in de omgeving van Jezus voorgestaan.
Sommigen kozen dit, anderen kozen dat. Sommigen zeiden: Nee, je mag geen belasting betalen aan de keizer. Dat mag niet van God. Wij zijn het land van God. Je kunt toch de vijanden van God geen belasting betalen. Dat mag niet. En anderen zeiden: Ja, maar zo heet als de soep wordt opgediend, wordt ze niet gegeten. Je moet een compromis sluiten, we leven in deze wereld. Sommigen zeggen met sint Petrus in de eerste lezing: De wereld vergaat, "het gaat toch allemaal in vlammen op," het einde van de tijd is nabij, wat zullen wij ons dan nog inzetten voor deze wereld? Anderen zeggen met dezelfde Petrus: Ja maar, deze tijd "van uitstel wordt ons gegeven door de Heer in zijn lankmoedigheid, als een genade ten heil." Je moet er mee woekeren, je moet het goede doen.
Wat moeten ze nu? Jezus zegt: "Geef Mij een tienling, dan zal Ik eens zien." Dat was nogal een hachelijke vraag, want degene die hem uit zijn zak zou halen, zou ervan getuigen dat hij toch gekozen had om aan de keizer belasting te betalen, want wat deed hij anders met die belastingmunt? Er kwam al iets van zijn huichelarij naar boven, hij was al niet helemaal vrij meer, hij kon geen twee kanten meer uit, hij had zelf al gekozen. Jezus gaat verder en vraagt: "Van wie is deze beeldenaar en het randschrift? Ze antwoordden: Van de keizer. Geef dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat aan God toekomt." Ja, toen wisten ze nog niet of het geoorloofd was aan de keizer belasting te betalen. Maar wat ze wél wisten was, dat je God en mens niet tegen elkaar moet uitspelen. God en de wereld. Als je voor God kiest kan de wereld er nog bij. Als je de weg van God in oprechtheid leert, kunnen de mensen zich veilig weten.
Als we het nu helemaal op onszelf betrekken, zou je kunnen zeggen: Wat staat er in mijn hart? Van wie is die beeldenaar, wat is het opschrift, van wie ben ik? Dan moeten wij zeggen: ja, ik ben van God. En de wereld dan? Die is ondergeschikt aan God. Alles mag als het maar van God mag. Je moet de waarde van de dingen niet afmeten aan de waarde die ze voor de mensen hebben, maar kijken of ze geldig zijn voor God. Je moet de eer van de mensen laten voor wat ze is, maar je bekommeren om de eer van Hem wiens beeldenaar je draagt in je hart. God, die in het verborgene ziet, die de beeldenaar ziet in je hart, die weet dat je van Hem bent, Hij zal het je vergelden.