Zaterdag in de negende week
      van het even jaar
            Heilige Bonifatius, bisschop en martelaar


Eerste lezing: 2 Timoteüs 4,1-8
Evangelie: Marcus 12,38-44


Inleiding      

'De Heer is mijn helper geworden.' Hét kenmerk van het leven en sterven van de heilige Bonifatius, de heilige van vandaag, bisschop en martelaar, patroon van de Duitse kerkprovincie. 'Zie, de Heer zelf is mijn helper geworden.' Dat is de kunst, God zelf je helper laten worden. Ongelooflijk. Er staat dan ook nog bij: 'Zie'. Dat woord 'zie' wordt in het evangelie dikwijls gebruikt om het buitenwereldlijk ingrijpen, het tussenbeide komen van de heilige Geest aan te kondigen. 'Zie', ineens, als een bliksemflits, komt het inzicht dat God zelf, loodrecht, van boven naar beneden, de mens de helpende hand toesteekt, dat Hij met goddelijke kracht tot stand brengt, wat hij uit eigen kracht niet kan klaren. Niet jezelf helpen, maar je eigen kracht loslaten. Dat is ook de inzet bij iedere eucharistie, en bij de eucharistische aanbidding, zoals die hier dag en nacht plaatsvindt. Want wat is eucharistische aanbidding anders dan het aanwezig zijn van een hulpeloos Iemand die door niets anders gedragen wordt dan door zijn vertrouwen op God, die zijn helper is geworden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd gaf Jezus bij zijn onderricht ook deze waarschuwing:
“Wacht u voor de schriftgeleerden,
die graag in lange gewaden rondlopen,
zich laten groeten op de markt,
belust zijn op de voornaamste zetels in de synagogen
en op de ereplaatsen bij de maaltijden,
maar de huizen der weduwen opslokken,
terwijl ze voor de schijn lange gebeden verrichten;
over deze mensen zal een strenger vonnis worden uitgesproken.”
Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek toe,
hoe het volk koperstukken daarin wierp,
terwijl menige rijke er veel in liet vallen.
Er kwam ook een arme weduwe
die er twee penningen, ter waarde van een cent in wierp.
Hij riep nu zijn leerlingen bij Zich en sprak:
“Voorwaar, Ik zeg u:
Die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen
die iets in de offerkist wierpen;
allen wierpen ze er iets in van hun overvloed,
maar zij offerde van haar armoe al wat ze bezat,
alles waar ze van leven moest.”

Homilie      

Jezus maakt in het evangelie bekend wat niemand heeft kunnen zien, wat God in die arme weduwe teweegbrengt. We zien het gewone bedrijf van de mensen, wat iedereen kan zien, maar Jezus laat zien wat daarachter zit. Eerst schetst Jezus ons de leiders van het volk, "die graag in lange gewaden rondlopen, belust zijn op de voornaamste zetels in de synagogen, de ereplaatsen bij de maaltijden, huizen van weduwen opslokken, en voor de schijn lange gebeden verrichten."

Als het leven met God het gewone leven is geworden, als de godsdienst de maatschappij binnendringt, als de omgang met God onderdeel is geworden van het sociale leven, kan het niet anders of de wereld dringt binnen in de godsdienst. Dat gebeurt in het groot, met de groten, zoals Jezus ons die schriftgeleerden schildert, maar dat gebeurt ook in het klein, bij de kleinen. Daarvan een voorbeeld in dat tweede tafereel.

"Jezus ging tegenover de offerkist zitten en keek toe hoe het volk koperstukken daarin wierp, terwijl menige rijke er veel in liet vallen." Dat is het gewone bedrijf, de standen die er zijn onder de mensen, rijk en arm, zijn er ook in de omgang met God. Dat moet ook, maar daarmee is het nog geen godsdienst. "Allen wierpen iets van hun overvloed erin." Dat betekent: het deed hun niets, ze voelden er niets van. Of liever gezegd: ze voelden er wel iets van, ze werden er beter van, ze hadden er een goed gevoel bij: 'dat heb ik toch maar goed gedaan'. Het streelt hun ik. Bij de vervulling van hun plichten kunnen mensen het gevoel hebben dat ze er goed op staan, dat ze niet uit de toon vallen, dat ze erbij horen. Ze worden er dus in hun ik-gevoel beter van. Ook tegenover elkaar worden ze er beter van. Zo doe je om erbij te horen, mee te tellen. Dat is omgaan met de mensen, maar dat is niet omgaan met God. Met God ga je pas om, met God krijg je pas contact, God telt pas, God ziet het pas, als je alles geeft. Als je geeft wat je eigenlijk niet kunt missen. Als je nu precies dat geeft wat op dat moment alles voor je betekent. Alles geven, zoals Jezus dat zegt van die twee penningen, die twee centen die die arme weduwe gaf: "zij offerde alles waar ze van leven moest."

Zoiets kun je niet voorschrijven, je kunt niet voorschrijven dat men dat moet doen. Zo klinkt het misschien wel een beetje, zoals ik het nu zeg. Het moet ook eigenlijk wel zo, maar dat is niet het sociale moeten, daar is altijd iets van druk bij. God heeft alleen de blijde gever lief. Het verhaal eindigt dan ook niet met: 'zo moet je doen', het eindigt met de eenvoudige constatering: "Zij offerde van haar armoede al wat ze bezat, alles waarvan ze leven moest." Dus geen voorschrift, maar een voorbeeld. Of liever: een tafereel, een anekdote, een verhaaltje. Zoals de bijbel vol staat met taferelen die ons vertellen: zo gaat God met de mensen om. Geef je alles, laat je God God zijn, dan zal Hij je vergoeden, honderdvoud. Reken maar - dat staat er niet bij, maar dat weten alle mensen die dit verhaal horen - reken maar dat God die arme weduwe die dag iets teruggegeven heeft. Daarom deed ze dat ook: 'Ik geef wat ik van de mensen krijg om van God terug te krijgen. Hoe, dat weet ik niet, maar ik reken erop dat dat gebeurt.'

De armen die God hun rijkdom laten zijn, de hulpelozen die God hun helper laten zijn, zijn er nog nooit slechter van geworden. Door haar armoede heen was deze weduwe heel intiem met God geworden. Ze leed, zij was weduwe, dat wil eigenlijk niet zeggen dat ze gewoon arm is, maar dat ze structureel arm is, een armoede waar ze nooit meer bovenuit komt, kwetsbaar in de maatschappij, slachtoffer van het machtsmisbruik van de rijken, de schriftgeleerden onder anderen, waarvan Jezus zegt dat ze "de huizen van de weduwen opslokken." Bij een weduwe is er altijd een gevoel van gemis, een schrijnende open wonde, een vraag waarop mensen geen antwoord kunnen geven, een hunkering die nooit bevredigd zal worden. God zelf is het antwoord.

En God laat Zich niet onbetuigd. Zo wordt haar armoede haar grote rijkdom. Ze is van haar armoede gaan houden, omdat ze van God is gaan houden. Ze kon haar armoede gewoon niet missen. Het was een soort levensbehoefte om arm te zijn, en om zich verlegen te voelen met iets dat ze heeft, met aardse zekerheid, want dat houdt God op een afstand, dan ziet God haar niet. Toen ze dus iets had, twee centen om die dag van te leven, kwam het in haar op - ze kon het ook niet helpen en niemand die het haar zei, niemand die haar ertoe verplichtte - kwam het zomaar in haar op om ook dat nog weg te geven, want ze wist dat God dat zou zien. "God die in het verborgene is en die in het verborgene ziet" (Mt 6,18).

Hier heb je het echte, contemplatieve gebed in een aanschouwelijk tafereeltje. Als een voorbeeld, als een model voor ons allemaal. Dat wij, als wij eucharistie vieren, dat ook doen met ons hart, mee offeren met wat we in de offergang zien gebeuren, dat wij onszelf geven, dat we onszelf loslaten, niet langer vertrouwen op wat we zelf hebben, om dan ook inderdaad mee te maken dat God teruggeeft wat wij gegeven hebben. Bij de heilige communie krijgen wij diezelfde hostie, die we hebben gegeven toen het nog gewoon brood was, terug. Ons gewone leven krijgen we terug, maar er is iets aan veranderd, er is iets bijgekomen. Hij heeft over dat leven van ons gezegd: 'Dit is mijn Lichaam, dat ben Ik. Dat neem Ik op in mijn liefde. Daar laat Ik niets van verloren gaan.' En als je het dan terugkrijgt, is het verrijkt; op de eerste plaats met zijn goddelijke kracht. Je kunt met je armoede, met dat kleine beetje dat je voor die dag hebt, inderdaad het leven aan. Maar behalve die goddelijke kracht komt er nog iets bij, komt er Iemand bij, Hijzelf. Hier in het heilig Sacrament blijft Hij aanwezig als een beeld dat Hij blijvend aanwezig is bij zijn volk. "Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld" (Mt 28,20).