Heilige Marcellinus en Petrus, martelaren
Eerste lezing: Tobit 2,10-23 [II 99];
Evangelie: Marcus 12,13-17 [II 100]
Inleiding
De kleur in de liturgie is wederom rood, niet vanwege de heilige Geest, maar vanwege de marteldood van Marcellinus en Petrus, die wij vandaag vieren. Ze werden gemarteld, zij werden in een bos onthoofd, zoals de latere paus Damasus uit de mond van de beul zelf vernam. Op de plek waar ze begraven werden, is later een basiliek verrezen die de namen 'Petrus en Marcellinus' heeft gekregen, dezelfde namen zullen wij vandaag ook in het eerste eucharistische gebed horen. De heilige Geest en de marteldood, verenigd in het 'hoog hebben van Jahweh' en verenigd in de blijdschap die dat geeft. De vrijwillige marteldood staat op het scherp van de snede in de keuze tegen de wereld en voor God. Daardoor ontstaat vreugde, daardoor raken wij los van wat de dood ons brengt; die vreugde gaat door de dood heen naar wat het leven ons brengt. Zoals een geboorte in dit leven vreugde brengt, zo schenkt de geboorte voor het echte leven de mens een tomeloze vreugde. Dat is wat wij hier vieren: hoe Jezus vrijwillig zijn leven geeft en die genade ook schenkt aan zijn Kerk, opdat wij, telkens wanneer er van ons een offer wordt gevraagd - dat hoeft niet beslist op bloedige wijze te zijn - dat ook met blijdschap brengen. Blijdschap om het totaaloffer, het holocaustum.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd
stuurden de hogepriesters, de schriftgeleerden en oudsten
enkele Farizeeën en Herodianen op Jezus af
om Hem vast te zetten.
Dezen kwamen bij Hem met de vraag:
Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt
en U aan niemand stoort,
want Gij ziet de mensen niet naar de ogen
maar leert de weg van God in oprechtheid.
Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?
Zullen we betalen of niet betalen?
Maar Jezus, die hun huichelarij doorzag, antwoordde:
Waarom probeert ge Mij te vangen?
Geeft Mij een denarie, dan zal Ik eens zien.
Zij deden het.
Jezus vroeg hun nu:
Van wie is deze beeldenaar en het randschrift?
Ze antwoordden: Van de keizer.
Daarop sprak Jezus tot hen:
Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt
en aan God wat God toekomt.
En ze stonden verwonderd over Hem.
Homilie
Wanneer wij deze geschiedenis van Tobit horen, scharen wij ons spontaan aan zijn kant. Tobit, die zo onvervaard uitkwam voor God, trouw aan zijn geloof. Dat is nu eenmaal de richting waarin het verhaal geschreven is. Tobit is de held en zijn Anna de antiheld, de antiheldin. Anna is het duister waartegen het licht van Tobit des te scherper afsteekt. In de latere geschiedschrijving wordt dat nog een beetje aangedikt. En in het evangelie is het precies zo. Natuurlijk staan wij aan de kant van Jezus, en natuurlijk staan de Farizeeën en de Herodianen aan de verkeerde kant. Wat die denken, wat die doen, dat lijkt toch nergens op!
Toch doen we het Woord van God meer recht wanneer we ons los maken van de situatie waarin wij deze lezingen horen. Wij zijn in de Kerk, we kijken dus maar één kant uit, de kant van God, de kant van Jezus. Laten we eens proberen ons te verplaatsen in de situatie waarin dit is gebeurd. Misschien kunnen we dan wat meer sympathie opbrengen voor de antihelden in deze beide geschiedenissen.
Je zult, zoals Anna, zo'n man thuis hebben! De vroomheid van haar man wordt maar slecht betaald, vindt ze. De goede werken komen hem tenslotte op blindheid te staan. En in plaats van het een beetje kalmer aan te doen en niet zo provocerend met zijn vroomheid voor de dag te komen, blijft hij maar doorgaan met naar zijn geweten te luisteren. Lastig hoor. Een blinde man, een beetje morsig, overal over struikelend, die niets ziet en toch altijd maar bezig iets te zien waar andere mensen geen notie van hebben. Hij leeft uit een andere wereld. Tobit heeft iets van die partij waartegen de Farizeeën en de Herodianen zich afzetten: de Zeloten, de ijveraars. Dat soort mensen treffen we in onze wereld ook aan. Ze hebben het op deze wereld niet zo getroffen en zetten zich met hun hele leven in voor de zaak van God. De Sji'ieten, en de Taliban voor de zaak van de Islam, bij de christenen heb je de zogenaamde fundamentalisten, in het klooster de regelfanaten, die de regel toepassen zonder onderscheiding, in de parochie de vromen, de supervromen die bij anderen geen zwakheid dulden. Iedereen is een beetje bang voor ze. Als die mensen de macht in handen hebben, is het voor de gewone mensen geen leven meer.
Vóór God en tegen de mensen. Maar de vraag van onze lezingen is eigenlijk: Is God zo? Als je voor Hem kiest, kies je dan tegen de mensen? En als je voor de mensen kiest, kies je dan tegen God? Moet je, als je God aanhangt, geen belasting betalen? Moet je je dan vervolging op de hals halen? Moet je jezelf het leven onmogelijk maken in deze wereld waarin de macht nu eenmaal bij de keizer ligt? En als je voor de mensen kiest, kies je dan automatisch tegen God? Als je een compromis zoekt, ben je dan tegen God? Zoals die breeddenkende Herodianen in Jezus' tijd, die het met de bezettende macht op een akkoordje gooiden. Zo'n beetje in de lijn van de verwanten en vrienden van Tobit die hem om zijn levenswandel bespotten: "Waar blijft nu je hoop waarvoor je aalmoezen hebt gegeven en begrafenissen hebt verzorgd?"
Het antwoord van Jezus is: als je voor God kiest, kies je voor de mens, maar dan van God uit. Aarde en hemel zijn niet tegengesteld, dat is slechts een opstelling van de mens die zich op aarde een eigen koninkrijk heeft gesticht. God heeft de aarde immers geschapen, van God uit is er niet alleen geen tegenstelling tussen hemel en aarde, maar zelfs een verbond, schepping als een verbond. Als je voor Hem kiest, kan alles er nog bij. Dan hoef je niet bang te zijn van de mensen te vervreemden. In de taal van de parabel wordt op een andere wijze gezegd wat Jezus elders ook al zei: "Zoek eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid, dan zal dat alles u erbij gegeven worden", door God (Mt 6,33). Als je voor God kiest, zul je merken dat God voor jou kiest. Dat is de strekking van dit verhaal van Tobit, zoals wij in de volgende dagen zullen horen. We zullen merken dat Tobit, die zozeer voor God kiest, door God gekozen wordt.
Dat zul je ook in de eucharistie merken, als je echt meedoet. Brood en wijn, de gaven van de schepping, verrijkt met het werk van mensenhanden, we geven ze door de priester uit handen om ze te maken tot tekenen van ons leven dat wij aan God uit handen geven. Wij willen eerst God en dan vragen wij te mogen worden tot tekenen van zijn leven, van zijn liefde, zijn lichaam. En inderdaad, als wij ons leven uit handen gegeven hebben en Hij er zijn leven voor in de plaats heeft gegeven, krijgen wij bij de heilige communie al het andere weer terug, maar dan versterkt met zijn goddelijke vitaliteit, met zijn goddelijke nieuwheid.