Heilige Norbertus, bisschop
Maria op zaterdag
Eerste lezing: Tobit 12,1.5-15.20 [II 107];
Evangelie: Marcus 12,38-44 [II 108]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd gaf Jezus bij zijn onderricht ook deze waarschuwing:
Wacht u voor de schriftgeleerden,
die graag in lange gewaden rondlopen,
zich laten groeten op de markt,
belust zijn op de voornaamste zetels in de synagogen
en op de ereplaatsen bij de maaltijden,
maar de huizen der weduwen opslokken,
terwijl ze voor de schijn lange gebeden verrichten;
over deze mensen
zal een strenger vonnis worden uitgesproken.
Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek toe,
hoe het volk koperstukken daarin wierp,
terwijl menige rijke er veel in liet vallen.
Er kwam ook een arme weduwe
die er twee penningen, ter waarde van een cent in wierp.
Hij riep nu zijn leerlingen bij Zich en sprak:
Voorwaar, Ik zeg u:
Die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen
die iets in de offerkist wierpen;
allen wierpen ze er iets in van hun overvloed,
maar zij offerde van haar armoe al wat ze bezat,
alles waar ze van leven moest.
Homilie
Tweemaal zien we vandaag in het evangelie de godsdienst in bedrijf: bij de leiders van het volk, die doen wat de machthebbers in de maatschappij doen, namelijk misbruik maken van hun macht over het volk, doorzetten in de praktijken van de godsdienst: "graag in lange gewaden rondlopen, belust op de voornaamste zetels in de synagogen, de ereplaatsen bij de maaltijden, de huizen der weduwen opslokken, voor de schijn lange gebeden verrichten."
Als het geloofsleven, je leven met God, je gewone leven geworden is, als de omgang met God in het sociale leven is doorgedrongen in allerlei praktijken en gebruiken, dan kan het niet anders of de wereld dringt door in de godsdienst.
Dat gaat in het groot, bij de groten, maar dat gaat ook in het klein, bij de kleinen. Daarvan een voorbeeld in het tweede tafereel: "Jezus ging tegenover de offerkist zitten en keek toe, hoe het volk koperstukken daarin wierp, terwijl menige rijke er veel in liet vallen." Het gewone bedrijf. De standen die er zijn onder de mensen, zijn er ook in de omgang met God. Dat moet ook, maar dat is nog geen godsdienst: "allen wierpen er iets in van hun overvloed." Het deed hun niets, zij voelden er niets van. Integendeel, ze werden er beter van, want ze hadden daarbij een goed gevoel. Het streelde hun ik, zij vervulden hun plichten. Ze werden er dus in hun ik-gevoel beter van en tegenover elkaar werden ze er ook beter van. Zo doe je om er bij te horen en mee te tellen. Maar dat is geen omgang met God. Met God ga je om, als je alles geeft, als je geeft wat je eigenlijk niet missen kunt, alles geeft waarvan je leven moet.
Zoiets kun je niet voorschrijven, want dan wordt het weer een moeten. "God houdt van de blijmoedige gever" (2 Kor 9,7). Het verhaal eindigt dan ook niet met een aansporing om te handelen zoals de weduwe, maar met de eenvoudige constatering: "zij offerde van haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest." Geen voorschrift, maar een voorbeeld of liever: een tafereel, zoals de bijbel vol staat met taferelen die ons vertellen: niet hoe de mensen moeten omgaan met God, maar hoe God met de mensen omgaat. Geef je alles en laat je zo God God zijn, dan zal Hij je vergoeden, honderdvoud. Reken maar dat God die arme weduwe die dag iets teruggegeven heeft. Daarom deed ze het ook. Ik geef wat ik van de mensen krijg, om nu van God terug te krijgen. Hoe, dat weet ik niet, maar reken maar dat dat gebeurt. Ik ben er nog nooit slechter van geworden.
Door haar armoede heen was ze intiem geworden met God. Zij leed aan een ongeneeslijke, schrijnende wonde. Hoe ze zich ook keerde of wendde, altijd voelde ze het gemis. Op een vraag waarop mensen geen antwoord kunnen vinden, is God zelf het antwoord geworden. God laat Zich niet onbetuigd. Zo wordt haar armoede haar grote rijkdom. Ze is van haar armoede gaan houden. Dat blijkt uit haar gebaar: 1. Eigenlijk hoefde zij als weduwe helemaal niets te geven. Toch gaf zij. 2. Ze geeft bovendien alles wat ze heeft, zoals Jezus opmerkt. Zij is van haar armoe gaan houden, de armoede die God voor haar gekozen heeft. Ze had zozeer God ontmoet door die armoede heen, dat geen ellende haar nog bang kon maken.
God heeft oog voor het onooglijke. "Waar de mensen naar opzien, is in Gods ogen een gruwel (Lc 16,15). Menige rijke liet er veel in vallen." God slaat er geen acht op. Hij heeft er geen achting voor. Dat is het geheim dat Rafaël openbaart: goede werken gedaan in verborgenheid, waarom alleen maar gelachen wordt door de mens, worden voor Gods troon gedragen (Tob 12,12).