Eerste lezing: Tobit 6,10-11a;7,9-17;84-10
Evangelie: Marcus 12,28-34
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe
en legde Hem de vraag voor:
Wat is het allereerste gebod?
Jezus antwoordde:
Het eerste is:
Hoor, Israël!
De Heer onze God is de enige Heer.
Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart,
geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht.
Het tweede is dit:
Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.
Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.
Toen zei de schriftgeleerde tot Hem:
Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd:
Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem;
en Hem beminnen met heel zijn hart,
heel zijn verstand en heel zijn kracht
en de naaste beminnen als zichzelf
gaat boven alle brand- en slachtoffers.
Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem:
Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.
En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.
Homilie
Wat is het allereerste gebod?" Jezus zegt de les op, dat wil zeggen: Hij beantwoordt een catechismusvraag met een catechismusantwoord; Hij geeft het antwoord zoals het in de wet geschreven staat. Hij antwoordt niet vanuit zijn eigen wijsheid; de wijsheid van Jezus is de wijsheid van God, die zijn neerslag gevonden heeft in de Schrift. Maar voordat Jezus die vraag beantwoordt, zegt Hij eerst iets anders: "Het eerste is: Hoor, Israël!" Ze staan in gehoorzaamheid. Ineens zijn mensen zich ervan bewust geworden dat er Iemand was die Zich tot hen richtte, zonder dat zij daar zelf opuit waren.
U kent ongetwijfeld de verschijningen van Maria aan Bernadette in Lourdes. Bernadette was een beetje achtergebleven bij haar vriendinnetjes met wie ze samen hout aan het sprokkelen was. Ze was alleen. Ineens was daar een geruis. Ze kijkt op, maar ziet niets, ziet niemand, ook geen wind. Dan hoort ze wéér een geruis, om haar voor te bereiden, en dan, als uit het niets: een stem. Zoiets. Zoiets moet het geweest zijn toen God Abraham riep, toen Hij Mozes riep, toen Hij verscheen aan Jakob, Isaäk, toen Hij verscheen op de berg Sinaï. Het is eigenlijk om je dood te schrikken en daarom komt er ogenblikkelijk iets geruststellends achteraan: 'vrees niet, houd moed, wees maar niet bang.' En dat zijn niet alleen maar woorden, het schenkt ook een gevoel van gerustheid.
De mens voelt zich onmetelijk klein als hij door zo'n grootheid, door zo'n Persoon van achter de natuur, van achter de geschiedenis wordt benaderd. Natuurlijk vraagt hij zich af: 'is dat een goede of een kwade macht? Zitten er goede bedoelingen of kwade bedoelingen achter? Mag ik blij met hem zijn, of moet ik voor hem vrezen?' Maar het gevoel dat gepaard gaat met het contact met Jezus, is een gevoel van eindeloze zachtheid, tederheid, liefde.
Toch kunnen we ons nog afvragen: 'als Hij onze God is, aan wie wij ons mogen toevertrouwen, als Hij de leiding van de geschiedenis overneemt, Hij die boven de geschiedenis uit gaat, als Hij zijn volk gaat leiden, zijn we dan wel helemaal veilig bij Hem?'
Het antwoord daarop komt van de Tien Geboden en wel van het eerste gebod. "Wat is het allereerste gebod? Het eerste is: Ge zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Hem liefhebben, dat is het eerste. Je hoeft Hem dus niet te vrezen. De ware liefde drijft de vrees uit" (1 Joh 4,18). Maar iemand die zelf niet bemint, kun je niet beminnen. Dat God ons bemint, wordt weliswaar niet met zoveel woorden gezegd, maar dat wordt gesuggereerd, hetgeen nog veel sterker is. Als wij Hem moeten beminnen, dan bemint Hij ons. Het is precies in overeenstemming met de sfeer van liefde, zachtheid en tederheid die God om Zich heen verspreidt wanneer Hij aan de mens verschijnt. Als de liefde tot God wegvalt, als dat minder gaat spreken, kun je ook de ander niet meer beminnen, dan ga je jezelf met de ander vergelijken, dan ga je je beklagen over je lot, 'hij wel en ik niet'. Dan spreek je niet meer over je naaste als je broer of zus, maar over "die zoon van u" (Lc 15,30), of over 'die mensen'. De liefde van God hoort bij de gehoorzaamheid. Alleen iemand die je liefheeft, kun je gehoorzamen.
Zo moeten ook ouders hun kinderen opvoeden. Ze moeten hen natuurlijk verbieden, ze moeten hen gebieden, maar ze moeten dat zo doen, dat ze steeds hun liefde laten merken. Ouders moeten niet hun eigen zin willen doorzetten, simpelweg omdat ze het er niet mee eens zijn dat hun kind het anders doet dan zij, maar zij moeten datgene willen wat goed is voor het welzijn van het kind.
God heeft het welzijn van de mens op het oog als Hij ons de Tien Geboden oplegt. En de sfeermaker van de Tien Geboden, de wijze waarop je ze moet verstaan, is de liefde, de liefde tot God en de liefde tot de naasten. Dat die liefde zover gaat als wij haar vandaag, op donderdag, de dag van eerherstel, mogen vieren. Dat Hij zijn leven geeft, dat Hij zijn laatste druppel Bloed geeft voor mensen die Hem ontrouw zijn. "Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw: Zichzelf verloochenen kan Hij niet" (2 Tim 2,13). Dat is ons heilig geloof.